ECLI:NL:RBAMS:2024:339

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
24 januari 2024
Zaaknummer
13/048233-22; 23-019259
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 6:3:3 SvArt. 6:6:23 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring bezwaar tegen vervangende hechtenis en toewijzing mogelijkheid tot taakstrafuitvoering

De politierechter heeft bij vonnis van 28 september 2022 een taakstraf van 40 uren opgelegd aan veroordeelde, met een vervangende hechtenis van 20 dagen bij niet-naleving. Het Openbaar Ministerie besloot op 23 december 2022 tot toepassing van vervangende hechtenis, waarvan kennisgeving op 23 februari 2023 plaatsvond. Veroordeelde diende het bezwaar tegen deze kennisgeving op 31 juli 2023 in, buiten de wettelijke termijn van veertien dagen.

De verdediging voerde aan dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is vanwege omstandigheden buiten de schuld van veroordeelde, waaronder verblijf op een gesloten afdeling en onbekendheid met de taakstraf. De politierechter oordeelde op 13 oktober 2023 dat deze omstandigheden inderdaad verontschuldigbaar zijn, waardoor het bezwaar ontvankelijk is.

De reclassering kon geen intakegesprek voeren vanwege het ontbreken van contact, maar gaf aan dat uitvoering van de taakstraf mogelijk is aangepast aan de situatie van veroordeelde. Het Openbaar Ministerie stelde zich op het standpunt dat veroordeelde alsnog de taakstraf moet kunnen uitvoeren.

De politierechter oordeelt dat het niet uitvoeren van de taakstraf niet aan veroordeelde te wijten is en verklaart het bezwaar gegrond. De vervangende hechtenis wordt opgeheven en veroordeelde krijgt zes maanden de tijd om de resterende 38 uren taakstraf alsnog te voltooien.

Uitkomst: Het bezwaar wordt gegrond verklaard en veroordeelde krijgt zes maanden de tijd om de resterende 38 uren taakstraf alsnog te verrichten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13/048233-22
raadkamernummer : 23-019259
datum : 9 januari 2024
beslissing van de politierechter op het bezwaar op grond van artikel 6:3:3 en Pro artikel 6:6:23 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1954 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Feiten

De politierechter heeft bij vonnis van 28 september 2022 veroordeelde een taakstraf van 40 uren met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht opgelegd en bevolen dat voor het geval veroordeelde de taakstraf niet (naar behoren) verricht, vervangende hechtenis van 20 dagen zal worden toegepast. De aftrek van het voorarrest bedroeg 2 uren, waarmee de duur van de taakstraf feitelijk neerkwam op 38 uren. Het vonnis is onherroepelijk.
Het Openbaar Ministerie heeft op 23 december 2022 beslist dat vervangende hechtenis wordt toegepast en hiervan aan veroordeelde kennis gegeven. De kennisgeving van deze beslissing is op 23 februari 2023 betekend.

Procedure

Het bezwaar is op 31 juli 2023 op de griffie van deze rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft op 9 januari 2024 het bezwaar op de openbare terechtzitting behandeld.
De rechtbank heeft veroordeelde en de officier van justitie op zitting gehoord.
De rechtbank heeft ook [persoon 1] , de zoon van veroordeelde die namens veroordeelde het bezwaarschrift heeft ingediend, op zitting gehoord.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen de kennisgeving door het Openbaar Ministerie. Het strekt ertoe dat de rechtbank de beslissing van het Openbaar Ministerie tot toepassing van de vervangende hechtenis wijzigt en veroordeelde in de gelegenheid stelt (het restant van) de taakstraf alsnog te verrichten.
De verdediging heeft kort samengevat aangevoerd dat het niet uitvoeren van de taakstraf niet aan veroordeelde te wijten is. Veroordeelde is bij verstek veroordeeld en na drie maanden heeft het Openbaar Ministerie al beslist dat vervangende hechtenis wordt toegepast. Veroordeelde was op dat moment nog niet op de hoogte van zijn taakstraf omdat hij van instantie naar instantie verhuisde en destijds op een gesloten afdeling verbleef in het kader van een zorgmachtiging. Veroordeelde wil de taakstraf wel uitvoeren, en verzoekt daarom in de gelegenheid te worden gesteld de taakstraf alsnog te verrichten.

Standpunt van de reclassering

Uit het rapport van Reclassering Nederland d.d. 19 december 2022, opgemaakt door mevrouw [persoon 2] , blijkt dat veroordeelde de opgelegde taakstraf niet heeft verricht.
Het standpunt uit het reclasseringsrapport luidt – zakelijk weergegeven – dat er geen intakegesprek heeft kunnen plaatsvinden omdat contact met veroordeelde onmogelijk is gebleken.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaar gegrond verklaard dient te worden. Veroordeelde is ontvankelijk in het bezwaar gelet op hetgeen de politierechter op 13 oktober 2023 heeft geoordeeld. De officier van justitie heeft contact opgenomen met de reclassering en de situatie van veroordeelde voorgelegd. De reclassering gaf te kennen dat ze de taakstraf kunnen laten uitvoeren, aangepast aan de situatie van veroordeelde. Veroordeelde verdient een kans om de taakstraf alsnog uit te voeren.

Ontvankelijkheid

Een bezwaarschrift ex artikel 6:6:23, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dient te worden ingediend binnen veertien dagen na de betekening van de kennisgeving, in dit geval is dit gebeurd op 23 februari 2023 middels een OM-betekening. Het onderhavige bezwaarschrift is op 31 juli 2023 ingediend. Het bezwaarschrift is daarmee buiten de geldende termijn ingediend. Veroordeelde kan dan slechts in zijn bezwaarschrift worden ontvangen als sprake is van ‘bijzondere, de veroordeelde niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn’ (Hoge Raad, 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:352).
De politierechter heeft bij proces-verbaal aanhouding bepaalde tijd van 13 oktober 2023 overwogen dat uit de brief van de zoon van veroordeelde blijkt van bijzondere, de veroordeelde niet toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is.
De politierechter verklaart veroordeelde ontvankelijk in het bezwaar.

Beoordeling

Het bezwaar is – verontschuldigbaar – niet tijdig ingediend.
De politierechter heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak onder bovenvermeld parketnummer, waaronder:
  • het hiervoor genoemde vonnis arrest;
  • het rapport van Reclassering Nederland, Werkstrafunit Noord-West Team 2, van 19 december 2022;
  • de kennisgeving van de beslissing tot toepassing van de vervangende hechtenis;
  • het bezwaar van veroordeelde;
  • aanvullende overgelegde stukken van de arts van veroordeelde inzake de zorgmachtiging.
Nu veroordeelde de taakstraf niet volledig heeft verricht, heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in zoverre op goede gronden bevolen.
De politierechter is op grond van de hierboven genoemde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel dat het in overwegende mate niet aan veroordeelde is te wijten dat de taakstraf niet is verricht en dat veroordeelde in de gelegenheid moet worden gesteld het resterende aantal uren van de taakstraf alsnog te verrichten op een manier die past bij de situatie van veroordeelde. De politierechter zal daarom het bezwaarschrift van veroordeelde gegrond verklaren en de beslissing tot toepassing van vervangende hechtenis opheffen.
De politierechter zal daarbij bepalen dat de termijn, waarbinnen veroordeelde de taakstraf dient te hebben verricht, op zes maanden wordt gesteld.

Beslissing

De politierechter:
  • verklaart het bezwaar
  • bepaalt het aantal uren taakstraf dat nog moet worden verricht op
  • bepaalt dat de taakstraf binnen
Deze beslissing is gegeven door
mr. J.G. Vegter, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. B. Ketelaers, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.