De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van Polen tot aanvullende toestemming voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd voor feiten die vóór de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd. Het verzoek is ingediend op 1 maart 2024 en betreft een persoon geboren in 1969 in Polen, thans gedetineerd in Polen.
De rechtbank constateerde dat de beschikbare stukken onvoldoende zijn om een beslissing te nemen met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021 moet de overgeleverde persoon de feitelijke mogelijkheid hebben gehad om zijn opmerkingen en bezwaren over het verzoek kenbaar te maken.
Op 16 februari 2024 verzocht de rechtbank via het Internationaal Rechtshulp Centrum de Poolse autoriteiten om deze mogelijkheid te bieden, maar hieraan is geen gehoor gegeven. Daarom besluit de rechtbank bij deze tussenbeslissing dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de overgeleverde persoon alsnog in de gelegenheid moet stellen zijn opmerkingen en bezwaren naar voren te brengen en hiervan verslag aan de rechtbank te doen toekomen.