ECLI:NL:RBAMS:2024:2656

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2024
Publicatiedatum
10 mei 2024
Zaaknummer
13/075268-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 310 SrArt. 311 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor diefstal en poging daartoe

De rechtbank Amsterdam heeft op 8 mei 2024 uitspraak gedaan over de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Bonn. De opgeëiste persoon, een Duitse staatsburger zonder vaste verblijfplaats in Nederland, wordt verdacht van diefstal, meermalen gepleegd met braak, en poging daartoe.

Tijdens de zitting van 25 april 2024 heeft de opgeëiste persoon afstand gedaan van zijn recht op aanwezigheid en werd hij vertegenwoordigd door zijn raadsman. De rechtbank heeft de identiteit vastgesteld en de dubbele strafbaarheid van de feiten bevestigd, waarbij de strafdreiging in Duitsland en Nederland overeenkomt.

De verdediging verzocht om uitstel van feitelijke overlevering tot afronding van een Nederlandse strafzaak, gebaseerd op artikel 36 OLW Pro. De rechtbank verwierp dit verweer, stellende dat alleen de officier van justitie hierover kan beslissen na toestemming tot overlevering. Gezien het ontbreken van weigeringsgronden en de naleving van wettelijke eisen, staat de rechtbank de overlevering toe.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe voor de feiten zoals omschreven in het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/075268-24
Datum uitspraak: 8 mei 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 8 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 januari 2024 door het
Amtsgericht Bonn, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 2001,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 april 2024, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft middels een schriftelijke verklaring afstand gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. J. Klein Molekamp, advocaat in ’s-Gravenhage die namens hem het woord heeft gevoerd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis van het
Amtsgericht Bonnvan 27 juli 2023, dossiernummer: 50 Gs 3149/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal;
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.Artikel 36 OLW Pro

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de feitelijke overlevering pas toe te staan wanneer de behandeling van de Nederlandse strafzaak is afgerond, zodat de opgeëiste persoon zijn verdediging ten volle kan voeren, inclusief de voorbereiding hiervan met zijn raadsman. Wanneer de officier van justitie hierover gaat, heeft de raadsman verzocht dat de rechtbank een overweging opneemt, waarin staat dat de opgeëiste persoon pas wordt overgeleverd wanneer de Nederlandse strafzaak is afgerond om eerder genoemde reden.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een nog lopende strafzaak geen omstandigheid vormt die van belang is voor de beslissing over de toelaatbaarheid van de overlevering. Ingevolge artikel 36, eerste lid, OLW kan de Nederlandse strafzaak aanleiding vormen om, indien de overlevering wordt toegestaan, de feitelijke overlevering uit te stellen, maar daarover kan volgens het genoemde artikel alleen de officier van justitie een beslissing nemen en pas nadat de rechtbank de overlevering heeft toegestaan. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45, 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Bonn(Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.W.T. Klappe en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 mei 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.