ECLI:NL:RBAMS:2024:2428
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen DNA-afname bij veroordeling wegens overtreden gedragsaanwijzing ongegrond verklaard
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Hij stelt dat DNA-onderzoek bij het gepleegde delict, het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, geen betekenis kan hebben voor opsporing en vervolging.
De rechtbank heeft het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat het delict voldoet aan de criteria voor DNA-afname zoals gesteld in artikel 67 Sv Pro en dat DNA-onderzoek ook bij dergelijke delicten een bijdrage kan leveren aan opsporing en vervolging. De rechtbank verwierp het argument dat DNA-onderzoek niet relevant zou zijn vanwege de aard van het delict of bijzondere omstandigheden van de veroordeelde.
De rechtbank nam mee dat de veroordeelde binnen korte tijd tweemaal is veroordeeld voor eenzelfde soort overtreding, wat een indicatie is van recidivegevaar. Dit maakt het belang van DNA-onderzoek groter. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard.
De beslissing is genomen door de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Amsterdam op 18 april 2024. De veroordeelde was niet in persoon verschenen, maar zijn advocaat en de officier van justitie zijn gehoord.
Deze uitspraak bevestigt dat bij overtredingen van gedragsaanwijzingen DNA-onderzoek kan worden toegepast, tenzij uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk maken dat dit niet van belang is, wat hier niet het geval was.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.