Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Onderzoek ter terechtzitting
2.Inleiding en tenlastelegging
bijlage Ivan dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
3.Waardering van het bewijs
4.Bewezenverklaring
5.Strafbaarheid van de feiten
6.Strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straf
8.Beslag
9.Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partij
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
zaak A onder feiten 1 primair, 2 primair en 3en in
zaak B onder feit 1 primairniet bewezen en
spreektverdachte daarvan
vrij.
[verdachte], daarvoor strafbaar.
gevangenisstrafvan
48 (achtenveertig) maanden.
teruggave aan verdachtevan:
in zaak Ade vordering van de
benadeelde partij [benadeelde partij ]toe tot een bedrag van
€ 985,00 (negenhonderdenvijfentachtig euro)aan vergoeding van materiële schade en
€ 2.500,00 (tweeduizendvijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten vanaf 3 september 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening.
in zaak Ahoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij ] , behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
in zaak Bde vordering van de
benadeelde partij [benadeelde partij ]toe tot een bedrag van
€ 1.050,00 (duizendenvijftig euro)aan vergoeding van materiële schade
en € 1.000,00 (duizend euro)aan vergoeding van immateriële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten vanaf 24 april 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.
in zaak Bhoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij ] , behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
in zaak A en Bgemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
materiële schade afvoor een bedrag van (in de zaken A en B in totaal)
€ 13.436,00 (dertienduizendvierhonderdzesendertig euro).
overige niet-ontvankelijkin zijn vordering tot vergoeding.
ten behoeve van [benadeelde partij ] aan de Staat (in de zaken A en B totaal) € 5.535,00 (vijfduizendvijfhonderdvijfendertig euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten voor een bedrag van € 3.485,00 vanaf 3 september 2022 en voor een bedrag van € 2.050,00 vanaf 24 april 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
opheffing van de voorlopige hechtenis.