Eiseres diende een subsidieaanvraag in voor het oprichten van een virtueel museum met schilderijen van Joodse schilders, gericht op het bewaren en bestuderen van Nederlandse Joodse kunstgeschiedenis. De aanvraag werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, op advies van een commissie die de aanvragen beoordeelde op basis van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden.
De commissie en het college oordeelden dat het project niet specifiek gericht was op de Amsterdamse Joodse gemeenschap en dat het bereik van de activiteit in verhouding tot de kosten beperkt was. Eiseres voerde aan dat het project wel degelijk bijdraagt aan het Joods bewustzijn en verwees naar andere projecten die wel subsidie ontvingen, maar de rechtbank vond dat deze projecten niet vergelijkbaar waren.
De rechtbank benadrukte dat de afwijzing een discretionaire bevoegdheid van de gemeente betreft en dat toetsing met terughoudendheid moet plaatsvinden. De rechtbank concludeerde dat het college de afwijzing voldoende inzichtelijk en op juiste gronden had gemotiveerd, en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagde.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.