ECLI:NL:RBAMS:2023:8573

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 december 2023
Publicatiedatum
12 januari 2024
Zaaknummer
13/256495-23 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 6 Overleveringswet wegens ontbreken terugkeergarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 november en 21 december 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit tegen de opgeëiste persoon, die verdacht wordt van meermalige diefstal door twee of meer verenigde personen. De opgeëiste persoon heeft de Poolse nationaliteit en verblijft sinds meer dan vijf jaar rechtmatig en onafgebroken in Nederland.

De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarden voor overlevering was voldaan, waaronder dubbele strafbaarheid van de feiten en de mogelijkheid tot vervolging in Nederland. De raadsman verzocht om gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander, zodat een eventuele onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland kan worden uitgevoerd.

Hoewel aan de voorwaarden voor gelijkstelling werd voldaan, ontbrak een onvoorwaardelijke individuele terugkeergarantie van de Poolse autoriteiten dat de opgeëiste persoon na veroordeling in Polen zijn straf in Nederland kan ondergaan. De enige informatie was een niet-officiële e-mail, onvoldoende voor een dergelijke garantie. Gezien de naderende beslistermijn en feestdagen achtte de rechtbank het onwaarschijnlijk dat deze garantie tijdig zou worden verstrekt.

Daarom werd de overlevering geweigerd op grond van artikel 6, eerste lid, Overleveringswet. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens ontbreken van een onvoorwaardelijke terugkeergarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/256495-23 (EAB II)
Datum uitspraak: 29 december 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 5 oktober 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 mei 2022 door de
Sąd Okręgowy w Siedlcach (The Regional Court in Siedlce), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1966,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 november 2023, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. N. Claassen, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst om de raadsman in de gelegenheid te stellen het gelijkstellingsverweer nader te onderbouwen.
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 21 december 2023, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. N. Claassen, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van
the District Court for Warszawa Praga-Poludnievan 23 februari 2021, kenmerk: III Kp 28/21
.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Gelijkstelling
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is met partijen van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen.
De derde voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND). In de brief van de IND van 21 november 2023 staat dat de opgeëiste persoon naar aanleiding van de feiten in het EAB zijn verblijfsrecht niet zal verliezen.
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan. Deze garantie ontbreekt. In het dossier zit alleen een e-mail van
Eurojustvan 15 december 2023 met een uitleg over het terugleveren op basis van het Poolse wetartikel 607j van opgeëiste personen na een veroordeling in Polen. De rechtbank acht deze e-mail, die niet afkomstig is van de Poolse autoriteiten, onvoldoende om als een onvoorwaardelijke individuele terugkeergarantie in deze concrete zaak aan te merken. De rechtbank acht het, gelet op de feestdagen en het feit dat de beslistermijn per 31 december 2023 verstrijkt, niet aannemelijk dat een dergelijke garantie alsnog voor die datum zal worden afgegeven. De overlevering zal daarom worden geweigerd.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6 OLW Pro van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Sąd Okręgowy w Siedlcach (The Regional Court in Siedlce), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B. van Galen en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 december 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.