ECLI:NL:RBAMS:2023:845
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen verlening omgevingsvergunning met geurhindermaatregelen
De rechtbank Amsterdam behandelde het beroep van eiser tegen de omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders voor een wijziging van een inrichting waarbij biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval wordt geaccepteerd. Eiser woont circa 60 meter van de inrichting en vreesde onaanvaardbare geur- en stofhinder. Hij stelde dat het college onvoldoende onderzoek had verricht naar de milieuhinder in zijn directe woonomgeving en dat daarmee artikel 2.14 Wabo en artikel 8 EVRM Pro waren geschonden.
Het college had echter zes aanvullende maatwerkvoorschriften opgelegd om geurhinder te beperken, zoals het inpandig opslaan van containers, het direct afsluiten na vullen en het verwijderen van afval binnen 48 uur. De rechtbank oordeelde dat deze voorschriften voldoende waarborgen bieden en dat eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd dat er een onaanvaardbare geuremissie zou ontstaan. De onderzoeken naar geuremissie die na het besluit waren uitgevoerd, werden niet betrokken in de beoordeling.
Ten aanzien van stofhinder stelde de rechtbank dat het beroep zich alleen richt op de wijzigingsvergunning, die niet ziet op bouw- of sloopafval waarvoor reeds een vergunning was verleend. Het beroep op schending van artikel 8 EVRM Pro faalde omdat geen disproportionele inbreuk was aangetoond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.