De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 februari 2023 de vordering tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de regionale rechtbank van Przemyśl. De opgeëiste persoon, geboren in 1972 en woonachtig in Nederland, werd bijgestaan door een raadsman en een Poolse tolk. De rechtbank constateerde dat de beslistermijn van 90 dagen voor de overlevering was verstreken, waardoor geen grondslag meer bestond voor gevangenhouding.
Het EAB betreft een veroordeling tot een gevangenisstraf van één jaar en twee maanden wegens fraude, een feit opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet. De rechtbank stelde vast dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en dat de feiten strafbaar zijn in Polen met een maximale straf van ten minste drie jaar.
De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon recht had op gelijkstelling van verblijf in Nederland omdat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland zou hebben verbleven. De rechtbank oordeelde echter dat de overgelegde stukken onvoldoende bewijs bevatten van ononderbroken rechtmatig verblijf, mede door ontbrekende adresgegevens en onvoldoende gewerkte uren in de jaren 2017 tot en met begin 2020.
De rechtbank zag geen reden om de zaak aan te houden voor een aanvullende IND-bevraging en concludeerde dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan. De overlevering werd derhalve toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.