Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
1.079,00
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak vordert de Gemeente Amsterdam dat een gezin de noodopvang aan het adres in Amsterdam verlaat, omdat het gezin de afgesproken termijn van verblijf heeft overschreden. Het gezin had de woning verkocht vanwege schulden en verbleef daarna tijdelijk in noodopvang, waarvoor een schikking was getroffen met de Gemeente. Deze schikking bepaalde dat het gezin uiterlijk 18 april 2023 de opvang zou verlaten, ongeacht de woon- of gezinssituatie.
Het gezin heeft de opvang niet verlaten en heeft verweer gevoerd dat onder meer een huurovereenkomst zou bestaan en dat er recht op opvang zou zijn omdat een gezinslid inmiddels vier jaar rechtmatig in Nederland verblijft. De voorzieningenrechter verwierp deze verweren omdat het verblijf gebaseerd is op afspraken in de schikking en het gezin al langer dan de toegestane termijn in de opvang verbleef.
De rechtbank oordeelt dat de Gemeente een spoedeisend belang heeft bij beëindiging van het onrechtmatige verblijf, mede omdat er wachtlijsten zijn voor noodopvang. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel, ondanks het verzoek van het gezin om extra tijd om een koopwoning te vinden. De vordering wordt toegewezen met een ontruimingstermijn tot 2 januari 2024, zodat het gezin niet in de decembermaand hoeft te vertrekken.
Het gezin wordt veroordeeld in de proceskosten en de kosten van ontruiming, en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Er is geen recht meer op verblijf in de noodopvang en het gezin moet vertrekken.
Uitkomst: Het gezin wordt veroordeeld de noodopvang uiterlijk 2 januari 2024 te verlaten met machtiging tot ontruiming.