Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
1.079,00
Rechtbank Amsterdam
In deze kortgedingprocedure vordert eiseres opheffing van conservatoir beslag dat door gedaagde is gelegd op een schadeloosstelling die eiseres ontving van de Staat wegens niet-afname van Covid-19 zelftesten. De schadeloosstelling vloeit voort uit een raamovereenkomst tussen eiseres en het Ministerie van VWS.
De rechtbank stelt vast dat partijen voorafgaand aan de aanbesteding samenwerkten en afspraken maakten over de verdeling van winst, waarbij gedaagde recht heeft op een deel van de afkoopsom. De vordering waarvoor het beslag is gelegd is niet summierlijk ondeugdelijk. De vraag hoe de afkoopsom precies moet worden verdeeld zal in een bodemprocedure worden beslist.
De rechtbank oordeelt dat het beslag niet onnodig is gelegd, mede gelet op de bestedingen van eiseres en haar beperkte vermogenspositie. Een belangenafweging leidt niet tot opheffing van het beslag. De gevraagde voorzieningen worden afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het conservatoir beslag blijft liggen en de vorderingen tot opheffing worden afgewezen.