ECLI:NL:RBAMS:2023:781

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 februari 2023
Publicatiedatum
15 februari 2023
Zaaknummer
22/2330
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen UWV-besluit WIA-uitkering

Verzoekster diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering die door het UWV werd afgewezen bij het primaire besluit van 30 augustus 2021. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar op 21 maart 2022 stelde verzoekster beroep in tegen dit besluit.

Het UWV wijzigde het bestreden besluit op 19 december 2022 en kende alsnog een WIA-uitkering toe met een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,92%. Verzoekster trok daarop haar beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank stelde vast dat het UWV aan het beroep tegemoet was gekomen en wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe. De proceskosten werden vastgesteld op € 837,-, exclusief het griffierecht dat verzoekster rechtstreeks bij het UWV moet claimen.

De uitspraak werd gedaan door rechter M.A. Broekhuis op 9 februari 2023 en zonder zitting uitgesproken op basis van artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2330

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , uit Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Schutrups),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
( [gem. verweerder] ).

Procesverloop

Met het besluit van 30 augustus 2021 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van verzoekster om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen.
Met het besluit van 21 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met het besluit van 19 december 2022 heeft het UWV het bestreden besluit gewijzigd en het bezwaar alsnog gegrond verklaard. Het UWV kent verzoekster per 19 februari 2021 een WIA-uitkering toe, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,92%. Verder vergoedt het UWV de kosten die verzoekster in bezwaar heeft gemaakt tot een bedrag van € 541,-.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten volgens het gebruikelijke tarief.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Het UWV heeft de rechtbank medegedeeld akkoord te gaan met de veroordeling in de forfaitaire proceskosten die gemaakt zijn in de beroepsprocedure.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is het UWV tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt het UWV in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten voor rechtsbijstand door een gemachtigde met toepassing van het Bpb vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift) met een wegingsfactor 1.
5. Het totaalbedrag van de te vergoeden kosten bedraagt daarmee € 837,-
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor tot het UWV moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan op 9 februari 2023 door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.