De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Duitsland tegen de opgeëiste persoon. De procedure kende meerdere zittingen en een eerdere tussenuitspraak waarbij het onderzoek werd geschorst voor nadere informatie. De rechtbank constateerde dat de wettelijke beslistermijn was verstreken, waardoor gevangenneming niet meer mogelijk is, maar de beslissing over het EAB nog wel genomen moest worden.
De verdediging voerde aan dat overlevering onevenredig zwaar is vanwege de gezondheidsproblemen van het minderjarige kind van de opgeëiste persoon, die intensieve zorg nodig heeft. Onafhankelijke medische deskundigen bevestigden dat de opgeëiste persoon de primaire verzorger is en dat zorg door derden risico's met zich meebrengt. De Duitse autoriteiten waren niet op de hoogte van deze rapporten toen zij een verzoek tot intrekking van het aanhoudingsbevel afwezen.
De rechtbank verwijst naar een recente conclusie van de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie van de EU, waarin wordt gesteld dat het belang van het kind een reden kan zijn om overlevering te weigeren, mits na een rechterlijke dialoog voldoende informatie is verkregen. De rechtbank acht het daarom gerechtvaardigd om een rechterlijke dialoog aan te gaan met de Duitse autoriteiten en vraagt of heroverweging van het EAB of overdracht van de strafvervolging aan Nederland mogelijk is.
De rechtbank heropent het onderzoek en bepaalt dat de zaak over vier maanden opnieuw op zitting komt. De opgeëiste persoon wordt opgeroepen met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.