De Stichting Vrienden van het Joods monument diende op 31 december 2018 een subsidieaanvraag in bij de gemeente Amsterdam voor renovatie van een beeldbepalend pand met Joodse historische waarde. De aanvraag werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders, op advies van de commissie Joodse Erfpachttegoeden, omdat het project onvoldoende gericht zou zijn op de continuïteit van de Amsterdamse Joodse gemeenschap en de kosten te hoog werden geacht in verhouding tot het bereik.
De stichting maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank toetste het besluit met terughoudendheid gezien de discretionaire bevoegdheid van de gemeente en concludeerde dat de afwijzing zorgvuldig was gemotiveerd en gebaseerd op de criteria van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden. De rechtbank vond de aanvankelijke motivatie van de commissie summier, maar achtte de nadere toelichting voldoende inzichtelijk.
De rechtbank verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat vergelijkbare subsidies binnen andere sectoren waren toegekend. Ook het betoog over vermeende willekeur werd niet gevolgd. De rechtbank benadrukte dat de beoordeling zich richt op de kwaliteit van de aanvraag en niet op de historische waarde van het pand. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.