Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2023:7391

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 oktober 2023
Publicatiedatum
22 november 2023
Zaaknummer
13/207106-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 OverleveringswetArt. 62 SvArt. 30 OverleveringswetArt. 5.1.1 SvArt. 5.1.4 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond verklaring bezwaar tegen beperkingen in overleveringsdetentie wegens onvoldoende onderbouwing

Klager is op grond van een Europees Aanhoudingsbevel aangehouden en verblijft in overleveringsdetentie in Nederland. De officier van justitie heeft beperkingen opgelegd aan klager, waaronder het verbod op bezoek, telefoon- en briefcontact zonder toestemming, en contact met medegedetineerden. Klager heeft bezwaar gemaakt tegen deze beperkingen en stelt dat deze niet meer noodzakelijk zijn en onnodig leed veroorzaken. Ook wijst hij op het feit dat een medeverdachte in Duitsland zonder dergelijke beperkingen is gedetineerd.

De rechtbank heeft het bezwaarschrift behandeld en overwogen dat de bevoegdheid tot het opleggen van beperkingen volgt uit artikel 62 Sv Pro in samenhang met de Overleveringswet en bepalingen over rechtshulp. De rechtbank toetst marginaal of de beperkingen noodzakelijk zijn in het belang van het buitenlandse strafrechtelijk onderzoek.

Uit de toelichting blijkt dat de Nederlandse beperkingen strenger zijn dan de Duitse, en dat het verzoek tot voortzetting van beperkingen onvoldoende onderbouwd is, mede omdat een medeverdachte zonder beperkingen is overgeleverd. De rechtbank concludeert dat de beperkingen niet langer noodzakelijk zijn en verklaart het bezwaar gegrond, waardoor alle beperkende maatregelen komen te vervallen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de beperkingen in de overleveringsdetentie wordt gegrond verklaard en de beperkingen worden opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/207106-23
BESCHIKKING
in raadkamer op het bezwaarschrift ex artikel 61 van Pro de Overleveringswet (OLW) jo. artikel 62a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van:
[klager]geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres klager]
gedetineerd in [detentieplaats]
hierna te noemen: klager,
tegen het bevel van de officier van justitie te Amsterdam van 29 augustus 2023, tot het opleggen van beperkingen als bedoeld in artikel 62 Sv Pro.

1.Procesgang

Het bezwaarschrift is per e-mail van 5 oktober 2023 ingediend bij de griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 11 oktober 2023 klager, zijn raadsman (mr. Y. Bouchikhi, advocaat in Utrecht) en de officier van justitie (mr. K. van der Schaft) in besloten raadkamer gehoord.

2.Feiten

Op 17 augustus 2023 heeft het
Amtsgericht Bambergeen Europees Aanhoudingsbevel (EAB) tegen klager uitgevaardigd. Zijn overlevering wordt gevraagd om hem in Duitsland te vervolgen op grond van de verdenking van betrokkenheid bij de illegale handel in verdovende middelen,psychotrope stoffen en informaticacriminaliteit.
Klager is op 30 augustus 2023 op grond van de OLW aangehouden. Klager verblijft sindsdien in overleveringsdetentie uit hoofde van de OLW.
De officier van justitie heeft bij bevel van 29 augustus 2023 bevolen dat in het belang van het onderzoek beperkende maatregelen worden getroffen zodra klager zou zijn aangehouden. Het gaat om de volgende beperkende maatregelen:
1. de opgeëiste persoon mag zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie geen bezoek ontvangen; deze beperking geldt niet ten aanzien van bezoek door de raadsman en politie;
2. de opgeëiste persoon mag geen telefonisch contact, middellijk noch onmiddellijk, hebben met anderen zonder uitdrukkelijke toestemming van de officier van justitie; deze beperking geldt niet ten aanzien van telefonisch verkeer met de raadsman, justitiële autoriteiten en commissie van toezicht;
3. de opgeëiste persoon mag geen brieven verzenden of ontvangen zonder uitdrukkelijke toestemming van en na controle door of vanwege de officier van justitie; deze beperking geldt niet ten aanzien van correspondentie met de raadsman, justitiële autoriteiten en commissie van toezicht;
4. de opgeëiste persoon mag geen enkel contact hebben - mondeling noch schriftelijk noch telefonisch, middellijk noch onmiddellijk - met medegedetineerde(n);
5. het is de opgeëiste persoon toegestaan om televisie te kijken en kranten/tijdschriften te lezen op zijn cel. Het is de opgeëiste persoon NIET toegestaan gebruik te maken van een computer/mobiele telefoon.
Op 31 augustus 2023 heeft de officier van justitie de vordering ex artikel 23 van Pro de OLW ingediend bij deze rechtbank.
Bij beschikking van 14 september 2023 is het door klager ingediende bezwaarschrift tegen het bevel van de officier van justitie te Amsterdam van 29 augustus 2023, tot het
opleggen van beperkingen als bedoeld in artikel 62 Sv Pro ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 september 2023 heeft de rechtbank voor het feit zoals omschreven in het EAB de overlevering aan de Duitse autoriteiten toegestaan.

3.Inhoud van het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift, dat ter zitting nader is toegelicht, strekt tot gehele dan wel gedeeltelijke opheffing van de beperkingen.
De raadsman heeft naar voren gebracht dat er in de visie van klager geen strafrechtelijke onderzoeken lopen die de opgelegde beperkingen noodzakelijk maken. De beperkingen dienen dan ook geen redelijk doel meer en zijn uitsluitend nog onnodige leedtoevoeging.
Het persoonlijk belang bij opheffing van de beperkingen weegt zwaarder dan het belang tot voortduring van de beperkingen.
Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat een medeverdachte van klager recent is overgeleverd aan Duitsland en dat hij in Duitsland niet in beperkingen is gedetineerd.
Deze medeverdachte wordt aangemerkt als één van de hoofdverdachten terwijl klager een ondergeschikte rol heeft gespeeld bij de aan klager verweten strafbare feiten.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de door Duitsland verzochte beperkingen minder strikt zijn dan de beperkingen die nu aan klager door de officier van justitie zijn opgelegd.
De verzochte beperkingen zijn, zoals in een met de onderhavige situatie overeenkomstige zaak van een andere client van de raadsman is gebleken, kennelijk niet uitvoerbaar in Nederland aangezien er op de uitvoering daarvan toezicht zou moeten worden gehouden door een verbalisant die op de hoogte is van het Duitse strafdossier en dat is onmogelijk gebleken.

4.Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak tot het opleggen van beperkende maatregelen nog onverkort bestaat, zoals ook blijkt uit de door de Duitse justitiële autoriteiten bij e-mail van 10 oktober 2023 gegeven toelichting.
Het klopt wat de verdediging heeft aangevoerd dat de door de Duitse autoriteiten verzochte beperkingen niet uitvoerbaar zijn in Nederlandse detentie instellingen aangezien er geen personeel beschikbaar wordt gesteld om toezicht te houden op de uitvoering van de beperkingen. Als consequentie hiervan worden de meer strikte Nederlandse beperkingen uitgevoerd.
De officier van justitie refereert zich op grond van het voorgaande aan het oordeel van de rechtbank over de vraag of de opgelegde beperkingen moeten voortduren.

5.Beoordeling door de rechtbank

Wettelijke grondslag
De officier van justitie moet bevoegd worden geacht tot het opleggen van beperkingen.
Artikel 61 OLW Pro bepaalt namelijk dat de klager die op basis van deze wet van zijn vrijheid wordt beroofd, wordt behandeld als een verdachte die krachtens het Wetboek van Strafvordering aan een overeenkomstige maatregel is onderworpen. Aangenomen dient te worden dat, ook al wordt artikel 62 Sv Pro niet genoemd bij de bepalingen die in artikel 30 OLW Pro van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, hiermee artikel 62 Sv Pro van overeenkomstige toepassing is in geval van overleveringsdetentie.
De officier van justitie moet dan ook in beginsel bevoegd worden geacht tot het treffen van de in artikel 62 Sv Pro bedoelde maatregelen, waaronder het opleggen van beperkingen, krachtens een rechtshulpverzoek van de betreffende buitenlandse autoriteit, die om overlevering van klager heeft gevraagd.
De uitvoering van buitenlandse rechtshulpverzoeken is geregeld in de eerste en derde afdeling van Boek 5, Titel 1, Sv.
Artikel 5.1.1, tweede lid, Sv luidt:
Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken van daartoe bevoegde autoriteiten van een staat aan de bevoegde autoriteiten van een andere staat tot het al dan niet gezamenlijk verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan, verzoeken ter bepaling van de aanwezigheid van wederrechtelijk verkregen voordeel, het toezenden van documenten, dossiers of stukken, of het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden.
Artikel 5.1.4, tweede en derde lid, Sv luiden:

2. Voor zover het verzoek om rechtshulp van een vreemde staat is gegrond op een verdrag wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven;

3. In gevallen waarin het betreft een verzoek dat niet op een verdrag is gegrond, alsmede in gevallen waarin het toepasselijke verdrag niet tot inwilliging verplicht, kan een verzoek om rechtshulp van een bevoegde autoriteit van een vreemde staat worden ingewilligd indien de inwilliging niet in strijd is met een wettelijk voorschrift of dient te worden geweigerd in het kader van het algemeen belang.

Het verlenen van medewerking aan handelingen van onderzoek als bedoeld in artikel 5.1.1., tweede lid, Sv moet ruim worden opgevat en daaronder kan ook worden begrepen het opleggen van beperkingen in het belang van strafrechtelijk onderzoek van het land dat het rechtshulpverzoek heeft ingediend. Dat als gevolg van deze medewerking de persoonlijke levenssfeer van een opgeëiste persoon (nader) kan worden beperkt, maakt dat niet anders.
Uit artikel 5.1.4, derde lid, Sv, volgt, onder meer, dat indien het rechtshulpverzoek niet op een verdrag is gegrond, aan dit verzoek wordt voldaan, mits het een redelijk verzoek betreft en inwilliging ervan niet in strijd is met een wettelijk voorschrift. Genoemd artikel 62 Sv Pro biedt een wettelijke basis voor het opleggen van beperkingen aan klager.
Het opleggen van beperkingen in het belang van buitenlands strafrechtelijk onderzoek vindt dan ook zijn wettelijke grondslag in de artikelen 5.1.1 en 5.1.4 Sv juncto artikel 62 Sv Pro.
Het rechtshulpverzoek
Het verzoek van de Duitse autoriteiten aan de Nederlandse is om de beperkingen die door het
Amtsgericht Bambergreeds aan klager zijn opgelegd, ook tijdens zijn overleveringsdetentie hier in Nederland aan hem op te leggen. In het verzoek wordt onder meer verwezen naar het risico dat klager ‘daden van verhulling zal verrichten’, zoals het vernietigen van bewijsmateriaal en het beïnvloeden van getuigen.
Bij e-mails van 12 september 2023 en 10 oktober 2023 hebben de Duitse justitiële autoriteiten een aanvullende toelichting gegeven.
De beoordeling van het bezwaarschrift
Voor de beantwoording van de vraag of in een concrete zaak beperkingen mogen worden opgelegd ten behoeve van een buitenlands strafrechtelijk onderzoek, dient naar het oordeel van de rechtbank gelet op hetgeen in artikel 62, eerste lid, Sv is bepaald te worden bezien of die beperkingen in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk zijn.
Het gaat in zoverre om een marginale toets, waarbij de inschatting van de noodzaak en het concrete collusiegevaar ter beoordeling is van de Duitse autoriteiten. Het is aan de rechtbank enkel om te beoordelen of het verzoek tot het opleggen van beperkingen voldoende onderbouwd is.
De rechtbank heeft hierbij het volgende overwogen:
Door de officier van justitie is bevestigd dat in de uitvoering van de door de Duitse autoriteiten verzochte beperkende maatregelen een strikter regime wordt uitgevoerd dan de Duitse autoriteiten verzocht. Verder acht de rechtbank van belang dat een medeverdachte van klager die recent is overgeleverd aan Duitsland kennelijk , zoals door de verdediging onweersproken is gesteld, niet in beperkingen verblijft.
Tegen deze achtergrondacht de rechtbank het voortduren van de door de Nederlandse officier van justitie bevolen beperkingen in het kader van het Duitse onderzoek onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal het bezwaarschrift dan ook gegrond verklaren hetgeen betekent dat alle beperkende detentiemaatregelen komen te vervallen.

6.Beslissing

De rechtbank
VERKLAARThet bezwaar tegen het bestreden bevel beperkingen van de officier van justitie
GEGROND.
Deze beschikking is gegeven op 11 oktober 2023 in raadkamer van deze rechtbank door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier.
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.