ECLI:NL:RBAMS:2023:7359

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 november 2023
Publicatiedatum
21 november 2023
Zaaknummer
13.217.989-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Kroatische veroordeelde voor niet-naleving vrijheidsstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 november 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Kroatië voor de overlevering van een persoon die een vrijheidsstraf van zeven maanden moet uitzitten wegens een verkeersovertreding met lichamelijk letsel. De opgeëiste persoon was in eerste aanleg wel persoonlijk verschenen, maar niet tijdens de hoger beroepsprocedure. De verdediging voerde aan dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat de procedure in hoger beroep zonder zijn aanwezigheid was afgehandeld.

De rechtbank oordeelde echter dat de weigeringsgrond niet van toepassing was, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en het hoger beroep door zijn advocaat was ingesteld. Hij had nagelaten zich te informeren over de voortgang, waardoor geen schending van verdedigingsrechten was vastgesteld. De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat het feit waarvoor overlevering werd gevraagd, dubbele strafbaarheid kende onder Nederlands recht.

Daarom werd de overlevering toegestaan voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Kroatië toe voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van zeven maanden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.217.989-23
Datum uitspraak: 22 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 13 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 juli 2021 door
the County Court in Split, Kroatië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Kroatië) op [geboortedag] 1980,
opgegeven verblijfsadres: [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 november 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.A. de Leeuw, advocaat te Eindhoven en door een tolk in de Kroatische taal.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst, omdat de raadsman aanvullende stukken niet had ontvangen en hij de stukken daarom noch had kunnen lezen, noch met de opgeëiste persoon had kunnen bespreken.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 8 november 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet op tijd verschenen en is daarom vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. F.A. de Leeuw, advocaat te Eindhoven.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de
bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Kroatische
nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
enforceable judgement Verdict No. K-676/2013 dated March 29, 2019 of the Municipal Court in Split, which Verdict was confirmed by Verdict No. 3 Ki-206/2019-10
dated September 25, 2020 of the County Court in Slavonski Brod.
Aan de opgeëiste persoon is bij vonnis van 29 maart 2019 een straf van één jaar en drie maanden opgelegd, waarvan acht maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijk strafdeel wordt, volgens het EAB, niet ten uitvoer gelegd als de opgeëiste persoon binnen een periode van drie jaren geen nieuwe strafbare feiten pleegt.
De opgeëiste persoon moest zich vervolgens op 23 maart 2021 melden bij
the Diagnostic Centre in Zagrebom het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf van zeven maanden uit te zitten, maar hij heeft zich toen niet gemeld.
De overlevering wordt daarom verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De raadsman heeft bepleit dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd. De aanvullende informatie is erg onduidelijk en het had op de weg van de Kroatische appelrechter(s) gelegen om, nu noch de opgeëiste persoon noch zijn raadsman ter zitting in hoger beroep zijn verschenen, hiernaar onderzoek te doen in plaats van de procedure buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon en zijn raadsman af te doen.
De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro doet zich niet voor.
De rechtbank overweegt als volgt.
Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. [4]
Nu blijkens de aanvullende informatie in hoger beroep enkel de strafoplegging aan de orde is gesteld, vallen zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5] Beide procedures zullen daarom door de rechtbank worden beoordeeld.
Verdict No. K-676/2013 dated March 29, 2019 of the Municipal Court in Split
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat
tot de beslissing van
the Municipal Court in Splitheeft geleid. De weigeringsgrond als
bedoeld in artikel 12 OLW Pro is niet van toepassing.
Verdict No. 3 Ki-206/2019-10 dated September 25, 2020 of the County Court in Slavonski Brod
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing van
the County Court in Slavonski Brodheeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het feit dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon ter terechtzitting aanwezig was, volgt dat hij op de hoogte was van de verdenking tegen hem en van het feit dat een strafrechtelijke procedure aanhangig was. Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat de advocaat van de opgeëiste persoon namens hem hoger beroep heeft ingesteld en dat deze advocaat persoonlijk de oproeping voor de appelzitting heeft ontvangen, terwijl de oproeping voor de opgeëiste persoon aan het door hem opgegeven adres is gezonden, maar niet door hem in ontvangst is genomen. De opgeëiste persoon had dit adres aan de Kroatische justitiële autoriteiten verstrekt en was geïnformeerd over de op hem rustende verplichting om op dit adres bereikbaar te zijn voor de justitiële autoriteiten. Door de uitvaardigende justitiële autoriteit is meegedeeld dat deze verplichting zich bovendien uitstrekte over de gehele strafrechtelijke procedure en dus ook over een eventueel hoger beroep. De opgeëiste persoon is verder geïnformeerd dat hij eventuele adreswijzigingen moest doorgeven en wat de (juridische) gevolgen zouden zijn als hij niet voldeed aan voormelde verplichtingen. Ten slotte heeft de raadsman van de opgeëiste persoon ter zitting van de Internationale Rechtshulpkamer desgevraagd meegedeeld dat de opgeëiste persoon nimmer bij zijn Kroatische advocaat heeft geïnformeerd naar de stand van zaken in de appelprocedure, omdat hij de afhandeling van het hoger beroep aan zijn advocaat had overgelaten en deze alles zou regelen. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk op de hoogte was van het ingestelde hoger beroep.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert omdat hij, voor zover hij niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces in hoger beroep, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest bij het zich op de hoogte houden van het verloop van het namens hem ingestelde hoger beroep.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 tweede Pro lid, onderdeel b, van deze wet

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 6 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the County Court in Split(Kroatië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. V.V. Essenburg en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. Y.M.E. Jurgens en F.F. Wormhoudt, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (
5.Vergelijk: Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, (Zdziaszek), ECLI:EU:C:2017:629.