ECLI:NL:RBAMS:2023:732

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 januari 2023
Publicatiedatum
13 februari 2023
Zaaknummer
13/237108-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OLWArt. 8 Kaderbesluit 2002/584/JBZArt. 5 Kaderbesluit 2008/909/JI
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming uitbreiding vervolging overgeleverde persoon op grond van Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam heeft op 30 januari 2023 een beslissing genomen op het verzoek van de Duitse autoriteiten tot aanvullende toestemming voor uitbreiding van de vervolging van een overgeleverde persoon. Dit verzoek is ingediend op basis van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, en derde lid, van de Overleveringswet (OLW).

De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek voldoet aan de vereisten van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ en dat de stukken toereikend zijn om een beslissing te nemen met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon. Omdat de overgeleverde persoon de Nederlandse nationaliteit bezit, is een terugkeergarantie vereist. De Duitse autoriteiten hebben deze garantie gegeven, waarbij zij toezegden dat een opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Duitsland in Nederland zal worden uitgevoerd.

Daarnaast is vastgesteld dat de overgeleverde persoon de mogelijkheid heeft gehad om tijdens een zitting bij het Amtsgericht Emden op 16 september 2022, bijgestaan door een Duitse advocaat, zijn bezwaren tegen de aanvullende uitlevering kenbaar te maken. De rechtbank acht deze procedure in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021.

Gelet op deze overwegingen heeft de rechtbank het verzoek van de Duitse autoriteiten toegewezen en toestemming verleend voor de uitbreiding van de vervolging van de overgeleverde persoon voor de gevraagde feiten.

Uitkomst: De rechtbank verleent toestemming voor uitbreiding van de vervolging van de overgeleverde persoon.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/237108-22
RK-nummer: 23/237
Datum beslissing: 30 januari 2023
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 30 september 2022, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Dit verzoek is ingediend door het
Amtsgericht Emden(Duitsland) op 6 september 2022 en betreft:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in [plaatsnaam] ( [land] ),
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
Het verzoek betreft feiten ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
Terugkeergarantie
De overgeleverde persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De gevraagde aanvullende toestemming kan daarom alleen worden gegeven, wanneer is gewaarborgd dat de overgeleverde persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na het verlenen van aanvullende toestemming, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Op [geboortedag] 2022 heeft het
Staatsanwaltschaft Osnabrückde volgende garantie gegeven:
“Refererend aan uw verzoek van 07-12-2022 garandeer ik u hiermede, dat de strafrechterlijk vervolgde, indien hij na de overlevering vanuit Nederland rechtsgeldig tot een vrijheidsstraf zonder proeftijd zou worden veroordeeld, hij ingevolge artikel 5 nummer Pro 3 van het Kaderbesluit 2008/909/JI van 27 november 2008 (COUNCIL FRAMEWORK DECISION 2008/909/JHA of 27th november 2008 on the application of the principe of mutual recognition to judgements in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union) ter tenuitvoerlegging aan Nederland zal worden overgedragen.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
Hoorrecht
Voorts is van belang dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. [1] Uit de stukken blijkt dat de overgeleverde persoon hiertoe de gelegenheid heeft gehad tijdens een zitting bij het
Amtsgericht Emdenop 16 september 2022. Bij die zitting is aan de opgeëiste persoon, bijgestaan door een Duitse advocaat, de beschuldiging en het Europees Aanhoudingsbevel van 6 september 2022 voorgehouden. Uit het originele Duitse proces-verbaal van deze zitting volgt:
“Der Beschuldigte wurde weiterhin befragt, ob und ggf. welche Einwendungen gegen eine nachträgliche Auslieferung erhoben werden.”
De Nederlandse vertaling van deze zinsnede luidt als volgt:
“De verdachte werd nog verder ondervraagd, of -en in voorkomend geval- welke bezwaren tegen een uitlevering achteraf ingediend gaan worden.”
De rechtbank is van oordeel dat uit de bovenstaande citaten afgeleid kan worden dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen.

2.Beslissing

De rechtbank verleent op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, en derde lid, OLW toestemming voor uitbreiding van de vervolging van
[opgeëiste persoon]voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 30 januari 2023 door:
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie griffier.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.