De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 november 2023 een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie Wuppertal, Duitsland. Het EAB betrof een onherroepelijk vonnis tot een vrijheidsstraf van zes jaar en vier maanden wegens illegale handel in verdovende middelen, waarvan nog 1230 dagen resteren.
De verdachte bevestigde zijn identiteit en Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelde vast dat de feiten onder Nederlandse wetgeving strafbaar zijn en dat de opgelegde straf niet hoger is dan de Nederlandse maximumstraffen. Op grond van artikel 6a Overleveringswet kan overlevering van een Nederlander worden geweigerd indien de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan worden overgenomen.
De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen en dat de verdachte voldoende banden met Nederland heeft, waardoor een rechtmatig belang bestaat om de straf hier uit te voeren. Daarom werd de overlevering geweigerd, maar werd gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevolen. Tevens werd de voorlopige gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging bevolen.
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.