Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2023:7014

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 oktober 2023
Publicatiedatum
6 november 2023
Zaaknummer
C/13/730810 / FA RK 23-1659
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:5 lid 3 BWArt. 1:20 jo 25b BWArt. 1:26 BWArt. 1:227 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing adoptie en erkenning gezamenlijk gezag bij hoogtechnologisch draagmoederschap

De Rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot adoptie en erkenning van gezamenlijk gezag over een kind geboren via hoogtechnologisch draagmoederschap in de Verenigde Staten. Verzoekers, een gehuwd stel, sloten een draagmoederovereenkomst en een eiceldonorovereenkomst, waarbij het kind biologisch afstamt van verzoeker 2 en een eiceldonor. De Amerikaanse rechtbank stelde het gezag vast en erkende de draagmoeder als juridisch moeder.

De rechtbank erkende de buitenlandse gezagsbeslissing op grond van internationaal privaatrecht, omdat voldaan was aan de vereisten van bevoegdheid, behoorlijke rechtspleging, openbare orde en geen conflicterende beslissingen. De geboorteakte werd gelast ingeschreven in de Nederlandse registers met latere vermelding van erkenning.

Hoewel verzoeker 1 niet voldeed aan de wettelijke verzorgingstermijn van een jaar, oordeelde de rechtbank dat deze termijn in deze bijzondere situatie niet redelijk was en dat het belang van het kind prevaleerde. De adoptie door verzoeker 1 werd daarom toegewezen met terugwerkende kracht tot de geboorte, waarbij de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoeker 2 en het kind in stand bleven.

De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier werd gelast aantekening te maken in het gezagsregister. Het verzoek tot meer werd afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot adoptie en erkenning gezamenlijk gezag wordt toegewezen met terugwerkende kracht tot de geboorte van het kind.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/730810 / FA RK 23-1659 (LH/MW)
Beschikking van 24 oktober 2023 betreffende adoptie
in de zaak van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2],
hierna [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,
gezamenlijk de wensouders of verzoekers,
beiden wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M. Mok te Groningen.
Als belanghebbende is aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,
zetelend te ’s-Gravenhage,
hierna de ambtenaar.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, te weten:
  • het op 13 maart 2023 ingekomen verzoek, met bijlagen;
  • een F-9 formulier van verzoekers, voorzien van nadere producties;
  • de brief van de Raad van 8 juni 2023;
  • de brief van de ambtenaar van 11 augustus 2023;
  • de brief van de ambtenaar van 17 augustus 2023;
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 september 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2023.
Verschenen zijn:
  • de wensouders en hun advocaat;
  • namens de Raad, [naam 2] .
De ambtenaar is met kennisgeving niet verschenen.
1.3.
De rechter heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

2.De feiten

2.1.
De wensouders hebben sinds 2010 een affectieve relatie met elkaar en voeren sinds 2015 een gezamenlijke huishouding. Op 29 juli 2020 zijn zij een geregistreerd partnerschap
aangegaan. Dit partnerschap is vervolgens op 25 januari 2022 omgezet in een huwelijk
2.2.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hadden een grote kinderwens. In dat kader hebben zij
contact gezocht met een draagmoeder in de Verenigde Staten van Amerika. Op 25 februari
2022 hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2] een draagmoederovereenkomst gesloten met mevrouw [naam 1]
.
2.3.
Met de eiceldonor is op 25 januari 2022 een eiceldonorovereenkomst gesloten (productie 5).
De persoonlijke gegevens (NAW-gegevens e.d.) van de eiceldonor zijn bij [verzoeker 1] en [verzoeker 2]
bekend. Voorts zijn de gegevens van de eiceldonor opgenomen in Donor Sibling Registry.
2.4.
De draagmoeder is middels een ivf-behandeling zwanger geraakt van een kind dat via Ivf
bevruchting is ontstaan uit een zaadcel van [verzoeker 2] en een eicel van de eiceldonor, zodat er
sprake is van zogenoemd hoogtechnologisch draagmoederschap.
2.5.
[verzoeker 2] heeft de toen nog ongeboren [kind] voor de geboorte, te weten op 5 oktober 2022, in Nederland erkend.
2.6.
Bij beslissing van het Superior Court of the State of California, County of Los Angeles,
Verenigde Staten van Amerika, van 13 oktober 2022 is de draagmoeder als juridisch moeder is aangemerkt en is het vaderschap van [verzoeker 2] na de erkenning en voor de geboorte van de minderjarige vastgesteld. De State of Arizona Department of Health Services, Office of Vital Records, wordt opgedragen de geboorteakte voor het kind op te stellen waarbij [verzoeker 2] als enige juridisch vader en de
draagmoeder als de geboortemoeder wordt vermeld. In de beslissing van het Superior Court van 13 oktober 2022, is tevens opgenomen dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] met het gezag over de toen nog ongeboren [kind] zijn belast.
2.7.
De draagmoeder is op [geboortedatum 2] 2022 te [plaats] , [plaats] , Verenigde Staten van Amerika, bevallen van [kind] .
2.8.
Op [datum] 2022 is de Amerikaanse geboorteakte van [kind] geregistreerd. De draagmoeder uit wie het kind is geboren is als moeder in de akte opgenomen en [verzoeker 2] is als vader
vermeld. Volgens deze akte heeft de minderjarige de geslachtsnaam [verzoeker 2] .
2.9.
[kind] verblijft sinds haar geboorte bij verzoekers en woont sinds 2 februari 2023 bij verzoekers in Amsterdam.
2.10.
De draagmoeder heeft bij affidavit van 5 augustus 2022 onder meer verklaard dat
het uit haar geboren kind in de toekomst van haar als moeder niets te verwachten heeft, dat zij
geen bezwaar heeft tegen de erkenning van het kind door [verzoeker 2] en dat [verzoeker 2] , met haar
toestemming, de bevoegdheid en het recht heeft om de voogdij en het gezag te delen met
[verzoeker 1] , als de Nederlandse rechter dit conform Nederlands recht zal beslissen.
2.11.
Verzoekers en [kind] hebben allen de Nederlandse nationaliteit.

3.De verzoeken

Het verzoekschrift strekt toe dat de rechtbank:
primair voor recht zal verklaren, althans verstaan, dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , althans in ieder geval [verzoeker 2] , reeds vanaf de geboorte het (gezamenlijk) gezag uitoefenen / uitoefent over [kind] , en te bepalen dat de griffier daarvan aantekening zal doen in het gezagregister;
subsidiair te bepalen dat [verzoeker 2] voortaan belast is met het gezag over [kind] en te bepalen dat de griffier daarvan aantekening zal doen in het gezagregister;
de adoptie uit te spreken van [kind] door [verzoeker 1] en hierbij te verstaan dat de familierechtelijke betrekking tussen [verzoeker 2] en [kind] daarbij in stand blijft en voorts te bepalen dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte;
de ambtenaar te gelasten om de door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in de Verenigde Staten van Amerika opgemaakte geboorteakte van [kind] in te schrijven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, met daarop de vermelding (kanttekening) in de rubriek “vermeldingen” van de akte van erkenning door [verzoeker 2] opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van Amsterdam van 5 oktober 2022;
de ambtenaar te gelasten een latere vermelding van de genoemde adoptie van [kind] door [verzoeker 1] toe te voegen aan de daarvoor in aanmerking komende akte;
subsidiair te verstaan dat [verzoeker 1] na de adoptie van rechtswege gezamenlijk met [verzoeker 2] het gezag uitoefent over [kind] en te bepalen dat de griffier daarvan aantekening zal doen in het gezagregister;

4.Het standpunt van de ambtenaar

4.1.
Volgens de ambtenaar kan de onderhavige geboorteakte van [kind] zoals deze
voorligt worden ingeschreven in de registers van de Haagse burgerlijke stand. Nu verzocht wordt
een latere vermelding van de erkenning te plaatsen dient dan wel gelijktijdig een last te worden
gegeven tot het plaatsen van een latere vermelding betreffende erkenning op de aldus
ingeschreven akte, in plaats van de verzochte “vermelding (kantmelding) in de rubriek
“vermeldingen” van de akte van erkenning”. Van een erkenning dient ingevolge artikel
1:20 jo 25 b BW een latere vermelding aan de geboorteakte te worden toegevoegd. In de rubriek
vermeldingen wordt daartoe, ambtshalve, een verwijzing naar de latere vermelding opgenomen.

5.Het advies van de Raad

5.1.
De Raad adviseert de rechtbank om het verzoek tot adoptie van [kind] door [verzoeker 1] toe te wijzen. De Raad acht het in het belang van [kind] dat zij in familierechtelijke betrekking komt te staan tot haar verzorgende ouders. Dit is alleen voor [verzoeker 1] nog niet bewerkstelligd. Volgens de Raad volgt uit de verkregen informatie dat aan de voorwaarden van artikel 1:227 BW Pro en 1:228 BW is voldaan, behalve aan het vereiste dat de adoptant het kind gedurende ten minste een jaar (mede) heeft verzorgd en opgevoed. De Raad is van mening dat de wettelijke verzorgingstermijn van een jaar in zijn algemeenheid gehandhaafd dient te blijven. Indien de rechtbank hiervan af wenst te wijken, gezien deze specifieke situatie, dan ziet de Raad in dit geval geen redenen of risico’s die het belang en de ontwikkeling van [kind] zullen schaden. [kind] heeft volgens de Raad niets van draagmoeder te verwachten heeft in haar hoedanigheid van ouder. Al bij het tekenen van de draagmoederschap overeenkomst stond vast dat draagmoeder zwanger zou worden voor [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en dat zij direct na de geboorte afstand van zou doen en dat heeft zij ook gedaan. Adoptie van [kind] door [verzoeker 1] acht de Raad in het kennelijk belang van [kind] .

6.De beoordeling

Draagmoederschap
6.1.
Verzoekers beogen met hun verzoeken dat zij samen de juridische ouders van [kind] zullen zijn.
Vaststaat dat [kind] is geboren na een traject van zogenoemd hoogtechnologisch draagmoederschap. Hierbij heeft, zoals reeds hiervoor is vermeld, een ivf-behandeling plaatsgevonden, waarbij gebruik is gemaakt van een zaadcel van [verzoeker 2] en een eicel van de eiceldonor. De persoonlijke gegevens van de eiceldonor zijn verzoekers bekend en zijn opgenomen in Donor Sibling Registry. Het draagmoederschapstraject heeft in de Verenigde Staten van Amerika plaatsgevonden, de draagmoeder is aldaar woonachtig en zij is aldaar in [plaats] , bevallen van [kind] .
Gezamenlijk gezag en erkenning buitenlandse beslissing
6.2.
Partijen verzoeken primair voor recht te verklaren dat voornoemde uitspraak van het Superior Court van 13 oktober 2022, wordt erkend, voor zover daarin is bepaald dat [verzoeker 2] en [verzoeker 1] beiden belast zijn met het ouderlijk gezag over de toen nog ongeboren [kind] .
6.3.
Ingevolge artikel 1:26 BW Pro kan een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft, de rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand. De rechtbank begrijpt dat verzoekers er belang bij hebben dat vaststaat dat zij ook naar Nederlands recht gezamenlijk met het gezag over [kind] zijn belast, nu zij met [kind] in gezinsverband in Nederland wonen, hier te lande de zorg over haar hebben en gezamenlijk beslissingen over haar moeten nemen.
6.4.
Nu de beslissing niet in een EU-lidstaat is gegeven en evenmin in een staat die partij is bij het HKBV 1996 noch de verordening Brussel IIbis noch het HKBV 1961 dient de rechtbank eerst vast te stellen welk recht van toepassing is op de vraag of de Amerikaanse gezagsbeslissing voor erkenning in aanmerking komt. In dit geval dient te worden teruggevallen op het nationale internationaal privaatrecht om de erkenningsvraag te beantwoorden. De regel omtrent de erkenning is in het Nederlandse recht ongeschreven. Zij houdt in dat een beslissing in Nederland voor erkenning in aanmerking komt indien voldaan is aan vier cumulatieve vereisten:
de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is (waarbij aansluiting kan worden gezocht bij de bevoegdheidsgronden uit de verordening Brussel IIbis of het HKBV 1996);
de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van een behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro);
de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde;
de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bevoegdheid van de Amerikaanse rechtbank om te beslissen over het gezag berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, nu het draagmoederschapstraject in de Verenigde Staten van Amerika heeft plaatsgevonden en de draagmoeder in de Verenigde Staten woonachtig is.
6.6.
Uit de beslissing blijkt dat zowel verzoekers als de draagmoeder in de procedure zijn verschenen. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen dat aan deze Amerikaanse beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan.
6.7.
Verder is niet gebleken dat de erkenning van de beslissing van de Amerikaanse rechtbank in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Deze toets dient restrictief te worden uitgelegd, juist ter voorkoming dat procedures inhoudelijk opnieuw worden gevoerd. Een buitenlandse uitspraak is slechts in uitzonderlijke gevallen in strijd met de openbare orde.
6.8.
Evenmin is de rechtbank gebleken dat sprake is van een tussen partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter dan wel van een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust.
6.9.
Het voorgaande betekent dat de beslissing van het Superior Court van 13 oktober 2022, waarin verzoekers met het gezag over [kind] zijn belast, in Nederland wordt erkend. De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] vanaf de geboorte van [kind] met het gezamenlijk gezag over haar zijn belast. De rechtbank zal bepalen dat hiervan aantekening in het gezagsregister wordt gedaan.
Geboorteakte
6.10.
Op de inschrijving van geboorteakten in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand, is Nederlands recht van toepassing.
6.11.
Nu de ambtenaar heeft aangegeven dat de geboorteakte van [kind] zoals deze voorligt kan worden ingeschreven in de registers van de Haagse burgerlijke stand, zal de rechtbank de inschrijving van de geboorteakte zoals verzocht gelasten.
Erkenning
6.12.
[verzoeker 2] heeft [kind] op 5 oktober 2022 voor haar geboorte erkend. Bij de erkenning is gekozen voor de geslachtsnaam [verzoeker 2] . De rechtbank zal in navolging van het standpunt van de ambtenaar tevens het plaatsen van de latere vermelding betreffende erkenning op de geboorteakte gelasten.
Adoptie
6.13.
Het betreft hier een Nederlandse adoptie. Derhalve is het bepaalde in de artikelen 1:227, tweede lid en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
6.14.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker 2] reeds in een familierechtelijke betrekking tot [kind] staat nu hij haar heeft erkend. Met het verzoek van [verzoeker 1] om [kind] te adopteren, beogen verzoekers dat zij samen de juridische ouders van [kind] zullen zijn. De rechten van [verzoeker 2] over [kind] zullen door deze adoptie dan ook in stand blijven. De rechtbank zal dit zoals is verzocht vastleggen in deze beschikking.
6.15.
De rechtbank stelt vast dat verzoekers meer dan drie jaar samenwonen, dat [kind] sinds haar geboorte in hun gezin is opgenomen, dat de draagmoeder heeft ingestemd met de adoptie van [kind] door [verzoeker 2] en dat de Raad heeft geadviseerd om het verzoek toe te wijzen. Het is de rechtbank voldoende gebleken dat verzoekers de intentie hebben om [kind] , op het moment dat zij daaraan toe is, over haar afstamming en de adoptie voor te lichten.
6.16.
Op het moment van indiening van het adoptieverzoek was [kind] nog geen drie maanden oud. Dit betekent dat niet is voldaan aan het vereiste dat [verzoeker 1] haar een jaar heeft verzorgd, zoals bedoeld in artikel 1:228, eerste lid onder f, BW. De rechtbank is van oordeel dat deze verzorgingstermijn met name bedoeld is om in het belang van een te adopteren minderjarige de bestendigheid van de verzorging en opvoeding van die minderjarige door de adoptiefouder te toetsen. In dit geval is sprake van een bijzondere situatie waarbij de vereiste termijn geen redelijk doel dient. Verzoekers konden samen geen kinderen krijgen en zij hebben uiteindelijk besloten hun kinderwens via een draagmoeder in vervulling te laten gaan. [kind] is biologisch gezien het kind van [verzoeker 2] , de echtgenoot van [verzoeker 1] . Verzoekers hebben samen vanaf de geboorte zorggedragen voor de verzorging en opvoeding van [kind] Afwijzing van het verzoek tot adoptie, omdat niet is voldaan aan de wettelijk vereiste verzorgingstermijn, zou in dit geval in strijd zijn met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De rechtbank gaat daarom aan deze verzorgingstermijn voorbij.
6.17.
Omdat aan de overige vereisten van de artikelen 1:227 BW en 1:228 BW is voldaan, zal de rechtbank het verzoek tot adoptie als op de wet gegrond en in het belang van [kind] toewijzen.
6.18.
De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte van [kind] .
6.19.
De rechtbank wijst er daarbij op dat ingevolge artikel 1:229, derde lid, BW de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten blijft bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van die ouder het kind adopteert.
6.20.
De rechtbank overweegt ambtshalve dat [kind] na de adoptie op grond van artikel 1:5 lid 3 BW Pro de geslachtsnaam [verzoeker 2] houdt.
6.21.
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder sub k van het Besluit gezagsregisters bepalen dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister om daarin aantekening te doen van deze beschikking.
Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
verstaat dat verzoekers vanaf het moment van de geboorte van [kind] gezamenlijk belast zijn met het gezag over [kind] ;
7.2.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister, om daarin van het gezamenlijk gezag aantekening te doen;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
gelast de ambtenaar om de geboorteakte van [kind] met nummer: [registratie] , afgegeven op 30 december 2022 door de bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in California, waarvan een fotokopie aan deze beschikking is gehecht, in te schrijven in het register van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage ;
7.5.
gelast dat de ambtenaar op de nog in te schrijven geboorteakte van [kind] een latere vermelding zal plaatsen betreffende de erkenning van [kind] door [verzoeker 2] ;
7.6.
spreekt uit de adoptie van [kind] door [verzoeker 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1984 te
[geboorteplaats] ;
7.7.
bepaalt dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte van [kind] ;
7.8.
gelast de ambtenaar om op de nog in te schrijven geboorteakte van [kind] een latere vermelding van de adoptie van [kind] door [verzoeker 1] toe te voegen;
7.9.
verstaat dat de familierechtelijke betrekkingen tussen [verzoeker 2] en [kind] in stand blijven na de adoptie van [kind] door [verzoeker 1] ;
7.10.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.W. van der Weel, griffier, op 24 oktober 2023 [1]
Deze beschikking is schriftelijk vastgelegd op 7 november 2023

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).