Op 16 december 2021 vond een incident plaats waarbij verdachte en aangever, destijds vrienden, betrokken waren. Aangever verklaarde dat verdachte hem samen met een derde persoon had vastgehouden, bedreigd en met een lifehammer op het hoofd had geslagen om geld af te persen. Verdachte ontkende afpersing en stelde dat hij zich had verdedigd nadat aangever hem als eerste had geslagen.
De rechtbank oordeelde dat de poging tot afpersing niet bewezen kon worden, mede omdat de verklaringen van aangever onvoldoende werden ondersteund door het dossier en de financiële transacties ook anders uitgelegd konden worden. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte aangever opzettelijk had mishandeld door hem te slaan, waarbij verdachte zelf toegaf aangever met een vlakke hand te hebben geslagen.
De rechtbank verwierp het noodweerverweer van verdachte omdat niet was vastgesteld dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het letsel aan het hoofd van aangever kon niet met zekerheid aan het gebruik van de lifehammer worden toegeschreven, waardoor verdachte op dat punt werd vrijgesproken.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, het strafblad van verdachte en zijn positieve ontwikkelingen onder reclasseringstoezicht. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd de lifehammer teruggegeven aan de verhuurder Greenwheels.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 24 oktober 2023, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten hadden toegelicht tijdens de zitting van 10 oktober 2023.