De rechtbank Amsterdam heeft verdachte vrijgesproken van het medeplegen van witwassen van ruim €4.000.000, omdat de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk was. Het Openbaar Ministerie had nagelaten nader onderzoek te doen naar deze verklaring, waardoor niet kon worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst had.
De tenlastelegging betrof contante stortingen op privérekeningen en de bankrekening van een onderneming, waarvan verdachte de feitelijke leiding had. De rechtbank oordeelde dat ondanks het vermoeden van witwassen, de onderbouwde administratie en kwitanties voldoende waren om de verklaring van verdachte aannemelijk te maken.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, een factuur die aan de ING-bank werd overgelegd in het kader van een cliëntenonderzoek. Dit geschrift was vals en bestemd om als bewijs te dienen, waarmee verdachte het vertrouwen van de bank heeft geschaad.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een geldboete van €4.625,11, rekening houdend met de ernst van het feit, zijn persoonlijke omstandigheden en een overschrijding van de redelijke termijn. Een gevangenisstraf of taakstraf werd niet passend geacht.
De valse factuur werd onttrokken aan het verkeer, terwijl overige inbeslaggenomen documenten werden teruggegeven aan verdachte.