ECLI:NL:RBAMS:2023:6471

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
13/141095-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verkrachting en veroordeling voor mishandeling ex-vriendin

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van verkrachting en mishandeling van zijn ex-vriendin in de periode januari tot april 2019. De verkrachting zou hebben plaatsgevonden op 12 april 2019 met gebruik van een voorbinddildo, terwijl de mishandeling bestond uit meerdere stompen en slagen tegen het lichaam van het slachtoffer.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs voor de verkrachting onvoldoende was. Hoewel er aanwijzingen waren, zoals WhatsApp-berichten en getuigenverklaringen, ontbrak het aan overtuigend bewijs dat de seksuele handelingen tegen de wil van het slachtoffer op de genoemde datum hadden plaatsgevonden. Verdachte ontkende de verkrachting en gaf aan dat hij altijd instemming nodig had vanwege het gebruik van een voorbinddildo.

Voor de mishandeling was het bewijs wel overtuigend. Letselfoto’s, getuigenverklaringen en WhatsApp-berichten bevestigden dat verdachte zijn ex-vriendin op 12 april 2019 meermalen had geslagen en gestompt, wat letsel en pijn veroorzaakte. De rechtbank verwierp het verweer dat het slechts om duwen en trekken ging.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 20 uur met een vervangende hechtenis van 10 dagen bij niet-naleving. Hierbij werd rekening gehouden met het feit dat het delict uit 2019 dateert, verdachte sindsdien geen justitiecontacten heeft gehad en het risico op recidive laag wordt geacht volgens het reclasseringsadvies.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de verkrachting en andere niet bewezen verklaarde feiten, en verklaarde het bewezen mishandelen strafbaar en strafbaar gesteld.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting en veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur voor mishandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/141095-22
Datum uitspraak: 10 oktober 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. van der Willigen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.M. Veldman, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 12 april 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [aangeefster] , door voornoemde [aangeefster] eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen de/het be(e)n(en) en/of de arm(en) en/of het gezicht, in elk geval tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen en/of te slaan en/of op de arm(en) van voornoemde [aangeefster] te gaan zitten en/of door een hard voorwerp (voorbinddildo) (met kracht) in de vagina van voornoemde [aangeefster] te duwen en/of het huilen door voornoemde [aangeefster] te negeren;
Feit 2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 12 april 2019 te Amsterdam en/of te Wormer, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [aangeefster] , (telkens)
- eenmaal of meermalen tegen het lichaam en/of het hoofd en/of het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt en/of
- eenmaal of meermalen een elleboog stoot heeft gegeven en/of
- eenmaal of meermalen een kussen op het gezicht heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of
- eenmaal of meermalen de keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden,
waardoor voornoemde [aangeefster] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Inleiding
Verdachte en aangeefster hebben in 2019 een relatie gehad, die is geëindigd op 26 maart 2019. Daarna bleven verdachte en aangeefster contact met elkaar houden via WhatsApp en zagen zij elkaar af en toe tot eind mei 2019. Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van januari tot en met april, dus tijdens
enna de relatie aangeefster op verschillende momenten heeft mishandeld. Verder wordt hij ervan beschuldigd dat hij in de periode
nade relatie, op 12 april 2019, aangeefster met geweld vaginaal heeft verkracht met een voorbinddildo.
3.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Feit 1 (verkrachting)
De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde verkrachting, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs biedt. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 12 april 2019 met een voorbinddildo vaginaal is verkracht door verdachte. Uit de WhatsApp-berichten tussen verdachte en aangeefster volgen weliswaar aanwijzingen dat mogelijk sprake is geweest van een verkrachting: ‘
Ja omdat ik je aanrandde? Verkrachtte. Ik wil dat niet nog eens doen. Ik besef dat het niet goed is. Idk wrm ik dat deed, voor jou?’ en ‘
Ik probeerde seks met je te hebben, maar je wou niet’en ‘
Dat wil niet zeggen dat ik je verkeerd mag aanraken [aangeefster] ’. Deze berichten zijn echter verstuurd op 4 april 2019, ruim een week voor de ten laste gelegde verkrachting. Dat er op 12 april 2019 seksuele handelingen (waaronder – tegen de wil van aangeefster - seksueel binnendringen) hebben plaatsgevonden, kan daarom op basis van de stukken niet worden vastgesteld.
Feit 2 (mishandeling)
De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat wel bewezen kan worden dat verdachte op 12 april 2019 aangeefster heeft mishandeld door haar te stompen). De aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] en de WhatsApp-berichten tussen verdachte en aangeefster in de periode van 13 april 2019 tot en met 17 april 2019, waarin hij onder meer schrijft ‘Ik heb je mishandeld..’. Verder wordt de aangifte ondersteund door de letselfoto’s. Ten slotte blijkt uit het rapport van de forensisch arts dat de door aangeefster gestelde toedracht goed zou kunnen passen bij de blauwe plekken die op de letselfoto’s te zien zijn. Voor de overige geweldshandelingen heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken, vanwege gebrek aan bewijs.
3.3
Het standpunt van de verdediging
Feit 1 (verkrachting)
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde verkrachting en zij heeft daarbij aansluiting gezocht bij het standpunt van de officier van justitie. Verdachte heeft stellig ontkend dat hij aangeefster heeft verkracht.
Feit 2 (mishandeling)
De raadsvrouw heeft ook vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde mishandeling. Verdachte heeft verklaard dat er gedurende de relatie met aangeefster wel eens sprake was van over en weer duwen en trekken, maar dat hij haar nooit heeft geslagen of gestompt. De WhatsApp-berichten in het dossier moeten daarom niet zo worden geïnterpreteerd dat zij inhouden dat verdachte heeft toegegeven aangeefster te hebben geslagen.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1 (verkrachting)
Bewijskwesties in zedenzaken
Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken. Bij dat soort zaken geldt dat vaak alleen aangeefster en verdachte aanwezig waren bij het gestelde seksueel misbruik en hun verklaringen over wat er is gebeurd uiteenlopen. Getuigen van de gebeurtenis zijn er over het algemeen niet. Op grond van de wet is alleen de verklaring van een aangeefster onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Naast de aangifte is er dus steunbewijs nodig. Hiervoor is niet voldoende dat anderen verklaren over wat het veronderstelde slachtoffer hen over de gebeurtenissen heeft verteld, omdat de bron van die verklaring dan nog steeds aangeefster is.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij vindt dat feit 1 niet kan worden bewezen, hoewel aan de hiervoor gestelde eisen van steunbewijs in dit geval wel is voldaan.
Alhoewel het dossier – gelet op de aangifte, de ‘
de-auditu’ getuigenverklaringen, de letselfoto’s (die zijn gedateerd tussen 13 april 2019 en 16 april 2019) en de WhatsApp-berichten tussen verdachte en aangeefster – aanwijzingen bevat dat aangeefster is verkracht, heeft de rechtbank niet de overtuiging dat er op 12 april 2019 seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster hebben plaatsgevonden.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het merendeel van de WhatsApp-berichten waaruit mogelijk zou kunnen worden afgeleid dat aangeefster en verdachte tegen de wil van aangeefster seks zouden hebben gehad, dateren van meer dan een week vóór 12 april 2019. Die berichten kunnen dus geen betrekking hebben op de gestelde verkrachting zoals die aan verdachte is ten laste gelegd. Aangeefster heeft hierover in een aanvullend verhoor (waarin haar is gevraagd of zij vaker dan één keer is verkracht door verdachte) verklaard dat zij ‘denkt dat het twee keer is gebeurd’, maar dat zij het lastig vindt en het niet meer weet.
Uit het bericht dat verdachte daarna, op 17 april 2019, stuurt en waarin hij schrijft “ik heb seks met je gehad terwijl je dat niet wou”, kan op zichzelf niet worden afgeleid wanneer dit zou hebben plaatsgevonden. Het bericht zou op dezelfde situatie als die eerdere berichten kunnen zien. Daarbij komt dat verdachte ter zitting heeft uitgelegd hoe de WhatsApp-berichten, die hij in die periode heeft verstuurd, moeten worden geïnterpreteerd in het licht van zijn stormachtige relatie met aangeefster. Hij heeft uitgelegd dat aangeefster soms, nadat zij seks hadden gehad, verdrietig was of dat zij achteraf aangaf spijt te hebben van het seksuele contact. Dat kwam door zijn ‘vreemdgaan’ met andere vrouwen. Over dat vreemdgaan voelde hij zich schuldig naar aangeefster en vanuit dat perspectief moeten de appberichten – die dan steeds gingen over een situatie waarin zij na de seks verdrietig was – worden gelezen. Verdachte heeft de hem ten laste gelegde verkrachting verder ook stellig ontkend en ter zitting verklaard dat het hebben van seks voor hem niet vanzelfsprekend is (vanwege het gebruik moeten maken van een voorbinddildo) en dat hij in verband daarmee bij het hebben van seks steeds de instemming en medewerking van de ander nodig heeft. De rechtbank vindt deze verklaring geloofwaardig. Om die reden heeft de rechtbank al met al niet de overtuiging dat de tenlastegelegde verkrachting heeft plaatsgevonden en zal verdachte daarvan dus worden vrijgesproken.
Feit 2 (mishandeling)
De rechtbank vindt dat wel voldoende is komen vast te staan dat verdachte op 12 april 2019 aangeefster heeft mishandeld door haar meermalen te stompen en te slaan tegen het lichaam. De verdediging heeft aangevoerd dat slechts sprake zou zijn van duwen en trekken. De rechtbank gaat hier niet in mee gelet op de aangifte en de bijgevoegde letselfoto’s, op basis waarvan is komen vast te staan dat deze kort na 12 april 2019 zijn gemaakt. Verder blijkt uit de getuigenverklaringen dat aangeefster in april 2019 in geëmotioneerde toestand (huilend) aan haar vrienden heeft verteld over de mishandeling. Uit de WhatsApp-berichten tussen getuige [getuige 1] , een van de vriendinnen van aangeefster, en haar vriend blijkt dat aangeefster haar op de avond van 12 april 2019 heeft geappt over de mishandeling. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat de overige ten laste gelegde geweldshandelingen hebben plaatsgevonden en dat er in de tenlastegelegde periode vaker sprake zou zijn geweest van mishandeling. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
Feit 2:
op 12 april 2019 te Amsterdam opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [aangeefster] , meermalen tegen het lichaam heeft gestompt en geslagen waardoor voornoemde [aangeefster] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 2 bewezen geachte mishandeling zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweren gevoerd ten aanzien van de strafmaat, gelet op het pleidooi tot integrale vrijspraak. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij student is, geen inkomsten uit loon geniet en dat hij zijn huur betaalt van zijn studiefinanciering.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zijn ex-vriendin mishandeld door haar meermalen tegen het lichaam te slaan en te stompen. Aangeefster heeft hierdoor pijn en letsel bekomen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Uitgangspunten voor de strafoplegging
Verder is gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting die de rechtbanken hebben vastgesteld. Voor mishandeling, enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, wordt in beginsel een geldboete ter hoogte van € 750,- opgelegd, tenzij het om huiselijk geweld gaat. In die gevallen geldt als uitgangspunt dat geen geldboete wordt opgelegd. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat het hier om een feit uit 2019 gaat en de verdachte sindsdien geen nieuwe politie-justitiecontacten heeft gehad.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 17 juli 2023, opgesteld door [reclasseringswerker] . Hieruit blijkt, samengevat, het volgende. Nu verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest, kan niet worden gesproken van een delictpatroon. Uit het reclasseringsonderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen voor structurele problemen op het gebied van agressieregulatie. Specifieke risicofactoren zijn niet waargenomen. Het is de reclassering niet duidelijk geworden wat er precies aan het delictgedrag ten grondslag heeft gelegen. Het zou goed kunnen dat de gedragingen van destijds relatiespecifiek zijn geweest. De reclassering schat het risico op geweldsrecidive in als laag. Het feit dat de relatie al enige tijd voorbij is, de ex-partners geen contact meer hebben, verdachte inmiddels een stabiele en conflictvrije relatie heeft en er sindsdien geen justitiële contacten meer zijn geweest, maakt dat de reclassering op dit moment geen meerwaarde ziet in het adviseren van enige reclasseringsinterventies. Geadviseerd wordt om het volwassenenstrafrecht toe te passen, nu verdachte functioneert in overeenstemming met zijn kalenderleeftijd en pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden geen meerwaarde hebben. Er bestaan geen contra-indicaties voor oplegging van een geldboete of taakstraf
Strafoplegging
Gelet op al het voorgaande, vindt de rechtbank een taakstraf van 20 uur een passende straf.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 2:
mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 20 (twintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 (tien) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. Godthelp, voorzitter,
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen en mr. M.A. van Rijswijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2023.
[(...)]