ECLI:NL:RBAMS:2023:6232

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2023
Publicatiedatum
9 oktober 2023
Zaaknummer
13/174371-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en overname tenuitvoerlegging gevangenisstraf Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 oktober 2023 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte is geboren in 1980, heeft de Nederlandse nationaliteit en verblijft momenteel in Nederlandse detentie.

Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke gevangenisstraf van vier jaar wegens illegale handel in verdovende middelen, waarvan nog 1277 dagen resteren. De rechtbank beoordeelde de toepasselijkheid van de weigeringsgrond van artikel 6a Overleveringswet (OLW), die overlevering van een Nederlander kan weigeren indien de straf in Nederland kan worden overgenomen.

De rechtbank concludeerde dat de feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn en dat de opgelegde straf niet onverenigbaar is met de Nederlandse wetgeving. De verdachte heeft voldoende banden met Nederland, waardoor de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland gerechtvaardigd is. Daarom werd de overlevering geweigerd en de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland bevolen, inclusief gevangenhouding tot aan de uitvoering.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/174371-23
Datum uitspraak: 3 oktober 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 7 december 2022 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 november 2022 door het
hof van Beroep van Antwerpen(België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
thans uit andere hoofde gedetineerd in [detentieplaats]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 september 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.J. Woodrow, advocaat in Tilburg.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [2] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrest van het hof van Beroep Antwerpen d.d. 29 juni 2022 – C5 kamer, referentie 2018/PGA/192 (griffienummer: 944/22).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1277 dagen.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro

Standpunten
De raadsman en de officier van justitie hebben zich niet uitgelaten over artikel 12 OLW Pro.
Oordeel van de rechtbank
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces dat heeft geleid
tot het arrest waarvan de tenuitvoerlegging wordt verzocht. Wel is vermeld dat hij een gekozen raadsman had.
Ter zitting van de rechtbank heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij op de hoogte was van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak door het hof van Beroep Antwerpen maar dat hij niet is verschenen omdat hij voor een Nederlandse strafzaak in Nederland in detentie verbleef.
Voorts heeft hij verklaard dat hij tijdens de procedure voor het hof van Beroep Antwerpen inderdaad is vertegenwoordigd door een gekozen raadsman die hij gemachtigd heeft en die daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12 onder Pro b OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro doet zich dan ook niet voor.

5.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde vrijheidsstraf worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro D Opiumwet,
gegeven verbod.
Uit de Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar zijn aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De opgeëiste persoon heeft voldoende banden met Nederland, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt de overlevering geweigerd.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 Opiumwet en de artikelen
2, 5, 6a en 7 Overleveringswet.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
hof van Beroep van Antwerpen(België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. B.M Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 oktober 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro
2.Zie artikel 22 OLW Pro
3.Zie onderdeel e) van het EAB.