ECLI:NL:RBAMS:2023:6142
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond op proceskostenvergoeding bij IVA-uitkering, inhoudelijke beslissing blijft in stand
Eiseres had bezwaar gemaakt tegen de hoogte van haar IVA-uitkering en de niet-toekenning van een proceskostenvergoeding. Verweerder had het bezwaar gegrond verklaard en de uitkering toegekend per 21 april 2021, maar had geen proceskostenvergoeding toegekend.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de juiste referteperiode heeft gehanteerd bij de berekening van het WIA-maandloon, namelijk de periode van 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, conform artikel 13 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. Eiseres en haar gemachtigde conformeren zich aan deze uitleg.
Wel is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de bezwaar- en beroepsprocedure. Daarom wordt verweerder veroordeeld tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 1.194,- voor de bezwaarfase, het griffierecht van € 50,- en een proceskostenvergoeding van € 1.674,- voor de beroepsprocedure.
Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het de proceskostenvergoeding betreft, het bestreden besluit wordt vernietigd maar de inhoudelijke rechtsgevolgen blijven in stand. Hiermee ontvangt eiseres alsnog vergoeding van haar gemaakte proceskosten.
Uitkomst: Het beroep is gegrond voor de proceskostenvergoeding, het bestreden besluit wordt vernietigd maar de inhoudelijke rechtsgevolgen blijven in stand.