ECLI:NL:RBAMS:2023:5678

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 augustus 2023
Publicatiedatum
6 september 2023
Zaaknummer
13/070714-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 12 OLWArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en tenuitvoerlegging Poolse vrijheidsstraf in Nederland op grond van gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 augustus 2023 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon geboren in Polen in 1979. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke vrijheidsstraf van tien maanden wegens een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging voerde aan dat de overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in hoger beroep niet had kunnen uitoefenen. De rechtbank oordeelde dat de opgeëiste persoon adequaat was vertegenwoordigd en op de hoogte was van de procedures, waardoor geen schending van verdedigingsrechten was vastgesteld.

De rechtbank toetste ook de weigeringsgrond van artikel 6a OLW, die ziet op de gelijkstelling met een Nederlander. De opgeëiste persoon had een duurzaam verblijfsrecht in Nederland van ten minste vijf jaar en zou zijn verblijfsrecht niet verliezen door de straf. De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland mogelijk en passend is en weigerde daarom de overlevering. Gelijktijdig werd bevolen de straf in Nederland uit te voeren en de voorlopige hechtenis voort te zetten tot aan de tenuitvoerlegging.

De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open. Dit arrest bevestigt de toepassing van artikel 6a OLW bij personen met duurzaam verblijfsrecht in Nederland en benadrukt het belang van het recht op tenuitvoerlegging binnen de eigen woonstaat.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de Poolse vrijheidsstraf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/070714-23
Datum uitspraak: 30 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 26 juni 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1] Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2022 door
the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Vermaat, advocaat in Rotterdam. Hij nam waar voor zijn kantoorgenote, mr. E.A. Blok. De opgeëiste persoon is daarnaast bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgementvan
the District Court in Bydgosczvan 9 juni 2017 met kenmerk
IX K 179/16. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit zoals gegeven bij brief van 3 augustus 2023 blijkt dat
the Regional Court in Bydgosczop
15 november 2017 in hoger beroep uitspraak heeft gedaan bij arrest met referentie
IV Ka 801/17.Hierbij is het vonnis in eerste aanleg in stand gebleven.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten in hoger beroep niet uit heeft kunnen oefenen. De opgeëiste persoon betwist onder andere dat er voor de procedure in hoger beroep oproepingen naar zijn Poolse adres zijn verstuurd, zoals in de aanvullende informatie is aangegeven.
De officier van justitie vindt dat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit de stukken blijkt niet voldoende duidelijk of in hoger beroep definitief is geoordeeld over de schuld en straf van de opgeëiste persoon. Om die reden toetst de rechtbank zowel de procedure in eerste aanleg als die in hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro. [4]
Vast staat dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen (in eerste aanleg en in hoger beroep) die tot de beslissingen hebben geleid. Daarnaast is niet gebleken dat sprake is van een van de situaties zoals omschreven in artikel 12 OLW Pro, sub a t/m d. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro is daarmee van toepassing. De rechtbank ziet om de hiernavolgende redenen echter aanleiding om af te zien van weigering op grond van dit artikel.
Uit het EAB blijkt dat opgeëiste persoon zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is vertegenwoordigd door een door hemzelf gemachtigd advocaat. Deze advocaat heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. Uit de aanvullende informatie van 3 augustus 2023 blijkt dat aan de opgeëiste persoon op 7 september 2015 (op welke datum de opgeëiste persoon als verdachte in de zaak gehoord werd) een zogeheten adresinstructie is gegeven. In het kader van deze instructie is aan de opgeëiste persoon duidelijk gemaakt dat hij iedere adreswijziging aan de autoriteiten door moest geven. Ook is hem duidelijk gemaakt dat wanneer hij niet aan deze instructie zou voldoen, hij bij verstek zou kunnen worden berecht (hetgeen ook zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is gebeurd). Oproepingen voor beide procedures zijn naar het door de opgeëiste persoon in het kader van de strafrechtelijke procedure opgegeven adres verzonden. Beide keren is de oproep niet door de opgeëiste persoon zelf, maar door een volwassen huisgenoot in ontvangst genomen.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de adresinstructie zag op zowel de procedure in eerste aanleg als die in hoger beroep. Bovendien is in de aanvullende informatie nog aangegeven dat de advocaat van de opgeëiste persoon tijdens de procedure in hoger beroep aangaf dat de opgeëiste persoon wist van de datum van de zitting en ermee instemde dat de zitting doorging zonder zijn aanwezigheid. De omstandigheden zoals hierboven beschreven leveren daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het strafproces en moest er onder de gegeven omstandigheden rekening mee houden dat hij zou worden opgeroepen voor een zitting in zowel eerste aanleg als in hoger beroep op het eerder door hem opgegeven adres. Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon van – onder meer – de mededeling uit Polen dat oproepingen naar zijn Poolse adres zijn verstuurd, is niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Op basis van het vertrouwensbeginsel moet uitgegaan worden van de mededelingen van de Poolse autoriteiten.
Het verweer slaagt niet.

5.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Zowel de raadsman als de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en dat hij zijn straf in Nederland mag uitzitten.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 10 augustus 2023 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht als gevolg van de hem in Polen opgelegde vrijheidsstraf naar verwachting niet zal verliezen.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het voorgaande volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, sociale en familiale banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 6a en 7 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division(Polen).
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon].
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628.