Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht compensatie voor de jaren 2006-2012. De Belastingdienst/Toeslagen kende voorlopige compensatie toe voor 2008, 2009 en 2011, maar wees compensatie voor 2012 af omdat niet aannemelijk is dat eiseres in dat jaar gebruik maakte van kinderopvang.
Eiseres stelde dat haar kinderen wel naar opvang gingen in 2012 en overlegde een verklaring van een voormalige oppas, maar kon geen verder bewijs leveren. De Belastingdienst/Toeslagen toonde aan dat er geen opvang geregistreerd stond en dat de toeslag over 2012 op nihil was gesteld, waarna het bedrag teruggevorderd en door de opvangorganisatie terugbetaald werd.
De rechtbank oordeelde dat zelfs als eiseres gebruik maakte van opvang, compensatie alleen kan worden toegekend als sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid en als zij daardoor schade heeft geleden. Omdat eiseres geen toeslag ontving, geen terugvordering kreeg en niet wist van de nihilstelling, is niet aannemelijk dat zij schade leed.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en krijgt eiseres geen compensatie, griffierechtteruggave of proceskostenvergoeding.