De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek van de vader om samen met de moeder belast te worden met het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen, geboren in 2018 en 2020. De moeder stemde in met het verzoek en de Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde Instelling Jeugdbescherming adviseerden eveneens toewijzing. De vader had reeds het gezag over het oudste kind erkend, terwijl de erkenning van het jongste kind nog niet was afgerond, maar de moeder gaf aan deze zelf digitaal te willen regelen.
De rechtbank oordeelde dat gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is, omdat de ouders goed communiceren en samen afspraken maken, waardoor het risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders niet aannemelijk is. De rechtbank wees het verzoek tot gezamenlijk gezag toe voor het oudste kind en gaf vertrouwen dat de erkenning en het gezag over het jongste kind door de ouders zelf geregeld zullen worden.
Ten aanzien van de zorgregeling stelde de rechtbank vast dat partijen het eens zijn over het belang van een structurele omgangsregeling. De vader wenste wekelijks van zondag 11.00 uur tot dinsdagochtend 09.00 uur zorg, terwijl de moeder voorkeur had voor een stapsgewijze uitbreiding. De rechtbank volgde het advies van de Raad en de GI en legde een minimale regeling vast waarbij de kinderen wekelijks twee dagen en twee nachten bij de vader verblijven, met ruimte voor uitbreiding in onderling overleg en binnen het traject van de Blauwe Beer.
De rechtbank wees het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning van het jongste kind af, omdat de moeder hier schriftelijk toestemming voor had gegeven en zelf de regie wilde houden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het Gerechtshof Amsterdam.