ECLI:NL:RBAMS:2023:5342

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juli 2023
Publicatiedatum
18 augustus 2023
Zaaknummer
22/4850
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 AOWAlgemene OuderdomswetWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning AOW-pensioen met korting wegens onverzekerde jaren

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de toekenning van zijn AOW-pensioen, dat per 1 juli 2018 werd vastgesteld op 56% van het normbedrag voor een gehuwde. Hij betwist de berekening en stelt dat zijn WAO-uitkering als uitgangspunt had moeten gelden, en vordert tevens een schadevergoeding wegens vermeende vertraging in de toekenning.

De rechtbank stelt vast dat eiser 22 jaar niet verzekerd was voor de AOW, wat leidt tot een korting van 44% op het pensioen. De berekening van de Sociale verzekeringsbank, waarbij het pensioen wordt afgeleid van het nettominimumloon en niet van de WAO-uitkering, is juist. De ingangsdatum van het pensioen per 1 juli 2018 is eveneens correct vastgesteld.

De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat er geen sprake is van vertraging in de uitbetaling die een schadevergoeding rechtvaardigt. Over het vrijwillig verzekerd zijn kan de rechtbank niet oordelen omdat dit besluit uit 2000 niet ter discussie staat in deze procedure. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het AOW-pensioen is correct berekend met een korting van 44%.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/4850

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2023 in de zaak tussen

[eiser] , uit [land] , eiser

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, hierna: de Svb

(gemachtigde: mr. S. Pinar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toekenning van een AOW [1] -pensioen per 1 juli 2018 ter hoogte van 56% van het normbedrag voor een gehuwde.
1.1.
Met het bestreden besluit van 15 september 2022 op het bezwaar van eiser is de Svb bij dat besluit gebleven.
1.2.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de Svb deelgenomen. Eiser was met bericht van verhindering afwezig.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser woont momenteel in [land] . Eiser heeft in Nederland gewerkt en een WAO [2] -uitkering ontvangen. Eiser heeft vervolgens een AOW-pensioen aangevraagd.
3. Met het primaire besluit van 1 april 2019 is aan eiser een AOW-pensioen toegekend vanaf 1 juli 2018 naar de norm voor een gehuwde. Eiser is 22 jaar niet verzekerd geweest voor de AOW waardoor hij 56% van het AOW bedrag voor een gehuwde ontvangt.
4. Met het bestreden besluit van 15 september 2022 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens de Svb is het AOW-pensioen juist berekend.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de toekenning van het AOW-pensioen aan eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Eiser voert aan dat 56% van zijn WAO-uitkering aan hem moet worden uitgekeerd als AOW-pensioen. Volgens eiser was zijn WAO-uitkering het minimumloon per maand en dient dat daarom als uitgangspunt genomen te worden. Eiser begrijpt niet waarom hij het bedrag dat hij kreeg aan WAO-uitkering niet kan behouden nu hij nog steeds ziek is. Eiser stelt verder dat hij recht heeft op een schadevergoeding, omdat pas op 26 februari 2019 een AOW-pensioen aan hem is toegekend en niet meteen op de dag dat hij de AOW-leeftijd bereikte. Eiser stelt dat hij hierdoor in een moeilijke financiële situatie terecht is gekomen waarbij hij ook zijn auto en erfrecht heeft moeten verkopen. Eiser voert ten slotte nog aan dat hij nooit heeft ingestemd met de vrijwillige verzekering voor de AOW.
8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen het aantal verzekerde jaren van eiser niet in geschil is.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is het AOW-pensioen van eiser op de juiste wijze berekend. Zoals de Svb in het bestreden besluit heeft uitgelegd wordt op grond van de wet het AOW-pensioen afgeleid van het nettominimumloon. De stelling van eiser dat de AOW-uitkering wordt afgeleid van het laatstgenoten inkomen (zoals de WAO-uitkering die eiser genoot), is onjuist.
Op grond van artikel 9 van Pro de AOW is het AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde gelijk aan 50% van het nettominimumloon per maand. Het nettominimumloon voor gehuwden is op 1 januari 2019 wettelijk vastgesteld op € 1.619,62; eiser heeft als gehuwde recht op de helft, dus € 809,81.
Eiser is 22 jaar niet verzekerd geweest voor de AOW en dat leidt tot een korting van
(22 x 2% =) 44%. Eiser heeft door zijn korting voor onverzekerde jaren in totaal recht op
(100% - 44% =) 56% van € 809,81 = € 453,49.
10. Volgens de rechtbank is deze berekening van het ouderdomspensioen juist. De rechtbank stelt vervolgens vast dat het volledig ingevulde formulier dat via de ambassade moest worden ingediend op 21 februari 2019 is ondertekend. Vervolgens is het primaire besluit genomen op 1 april 2019 waarbij het AOW-pensioen is toegekend per 1 juli 2018. Eiser heeft geen argumenten gegeven om aan te nemen dat de ingangsdatum van het AOW-pensioen per 1 juli 2018 onjuist is.
De rechtbank kan eiser ook niet volgen in het standpunt dat hij recht heeft op schadevergoeding wegens vertraging in de betaling van het AOW-pensioen. Uitgaande van de aanvraag van 21 februari 2019 is per datum besluit 1 april 2019 geen sprake van een overschrijding van de beslistermijn door verweerder en is er dus ook geen sprake was vertraging in de uitbetaling van het AOW-pensioen.
11. Over de vraag of eiser wel of niet vrijwillig verzekerd is geweest voor de AOW kan de rechtbank niet oordelen. Zoals eiser zelf aangeeft is dit besluit in 2000 genomen. Eiser heeft daar destijds bezwaar en beroep tegen in kunnen stellen, maar het blijkt niet dat hij dit ook gedaan heeft. In deze zaak heeft eiser alleen beroep ingesteld tegen het besluit van 15 september 2022 ten aanzien van de toekenning van het AOW-pensioen per
1 juli 2018.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.J. Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voluit: Algemene Ouderdomswet.
2.Voluit: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.