ECLI:NL:RBAMS:2023:5268

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juli 2023
Publicatiedatum
16 augustus 2023
Zaaknummer
23-007901 en 23-007902
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 OLWArt. 533 SvArt. 530 SvArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot schadevergoeding overleveringsprocedure niet-ontvankelijk wegens ontbreken handtekening

De verzoeker heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek tot schadevergoeding ingediend op grond van artikel 67 van Pro de Overleveringswet (OLW), samenhangend met de kosten van rechtsbijstand tijdens een overleveringsprocedure die eindigde met een weigering van overlevering op 21 februari 2023.

De rechtbank constateerde dat de verzoekschriften niet door de verzoeker zelf waren ondertekend. Ondanks een verzoek van de raadsvrouw om de behandeling aan te houden totdat de verzoeker de stukken zou ondertekenen, besloot de rechtbank de behandeling voort te zetten omdat de zittingsdatum in overleg was vastgesteld en geen reden bestond voor uitstel.

De verzoeker en zijn raadsvrouw verschenen niet op de zitting, hoewel zij daartoe waren opgeroepen. De rechtbank volgde het standpunt van het openbaar ministerie dat het ontbreken van de handtekening leidt tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek, zoals bevestigd door eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand niet-ontvankelijk. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen een maand na betekening.

Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de handtekening van de verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/335718-22
RK nummers: 23-007901 en 23-007902
BESCHIKKING
Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 67 van Pro de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
hierna te noemen: verzoeker.

1.Procesgang

Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 24 maart 2023, heeft de raadsvrouw van verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure, die is geëindigd met de uitspraak van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van 21 februari 2023 tot weigering van de overlevering van verzoeker op grond van artikel 12 OLW Pro.
De raadsvrouw heeft bij e-mail van 4 juli 2023 verzocht om aanhouding van de behandeling van de verzoekschriften aangezien verzoeker deze nog moest ondertekenen en de raadsvrouw geen contact met verzoeker heeft kunnen krijgen. De rechtbank heeft, mede gezien het feit dat de zittingsdatum in overleg met de raadsvrouw is bepaald, op voorhand geen reden gezien voor aanhouding van de verzoeken.
De rechtbank heeft op 5 juli 2023 de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, in openbare raadkamer gehoord. De verzoeker en zijn raadsvrouw mr. A. Redzić-Huseinović, advocaat in Tilburg, zijn niet ter zitting verschenen, hoewel zij daartoe behoorlijk zijn opgeroepen.
De verzoeken zijn tijdig ingediend.

2.Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- Bij vonnis van 3 maart 2021van
the District Court in Swidnik(Polen), met zaaknummer
II K 899/19 is verzoeker veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar;
- Op 29 november 2022 is door
the Circuit Court in Lublin(Polen) een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Polen, in verband met de tenuitvoerlegging van voornoemde straf;
- Op 25 december 2022 is verzoeker voorlopig aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB;
- De overleveringsdetentie is met ingang van 5 januari 2023 opgeschort ten behoeve van executie van een Nederlandse gevangenisstraf van 18 dagen;
- De overleveringsdetentie is van 2 februari tot en met 6 februari 2023 opgeschort ten behoeve van executie van een Nederlandse gevangenisstraf van 4 dagen.
- Op vordering van de officier van justitie van 27 december 2022 is het overleveringsverzoek behandeld op de zitting van 7 februari 2023;
- Bij uitspraak van deze rechtbank 21 februari 2023 is de overlevering geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. Daarbij is de overleveringsdetentie opgeheven.

3.Verzoeken

De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van
- € 5.900,-
€ 5.900,-voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:
59 dagen Huis van Bewaring: 59 x € 100,- = € 5.900,-
- € 340,-
€ 340,-voor de kosten die in verband met het opstellen en indienen van het verzoek zijn gemaakt.

4.Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw heeft in de verzoekschriften, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding op grond van artikel 67 van Pro de OLW toekomt, omdat zijn overlevering is geweigerd.

5.Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken omdat hij de verzoekschriften niet heeft ondertekend.

6.Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken nu de verzoekschriften niet door hem zijn ondertekend (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB7723,
NJ1988/194).

7.Beslissing

De rechtbank verklaart de verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand
NIET-ONTVANKELIJK.
Deze beslissing is gegeven op 5 juli 2023 en in het openbaar uitgesproken door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 juli 2023.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.