Op 15 oktober 2019 vond een explosie plaats in het trappenhuis van een school in Amsterdam door zwaar vuurwerk. Verdachte werd verdacht van medeplegen van deze brandstichting. Hoewel verdachte in de nabijheid was en indirect genoemd werd in verklaringen, was het bewijs onvoldoende concreet en consistent om hem als medepleger aan te merken. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van dit feit.
Daarnaast werd verdachte beschuldigd van het bezit van meerdere MDMA-tabletten en een mes, een wapen van categorie IV, op 29 oktober 2019. Deze feiten werden op basis van proces-verbalen en bekentenis wettig en overtuigend bewezen verklaard. Verdachte werd hiervoor strafbaar geacht.
Gezien het grote tijdsverloop van ruim drieënhalf jaar, de positieve ontwikkeling van verdachte, zijn stabiele situatie en het ontbreken van nieuwe strafbare feiten, concludeerde de rechtbank dat het opleggen van een straf of maatregel geen pedagogische meerwaarde heeft. De Raad voor de Kinderbescherming en het Leger des Heils onderschreven dit standpunt. De rechtbank legde daarom geen straf op, maar ontnam de in beslag genomen goederen aan het verkeer.
De rechtbank benadrukte het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht en stelde dat strafoplegging alleen zinvol is als deze een positieve bijdrage levert aan de ontwikkeling van de verdachte. In dit geval woog dit zwaarder dan de ernst van de bewezen feiten.