De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Lublin. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van drie jaar waarvan nog ruim twee jaar en vijf maanden resteerden.
De procedure kende meerdere zittingen tussen 2016 en 2023, waarbij het onderzoek tijdelijk werd geschorst in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank constateerde dat de wettelijke beslistermijn was verstreken zonder verlenging, waardoor geen grondslag meer bestond voor overleveringsdetentie.
De verdachte had gedurende ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleven en zou zijn verblijfsrecht niet verliezen door de straf. De rechtbank oordeelde dat de verdachte gelijkgesteld kon worden met een Nederlander, waardoor op grond van artikel 6a OLW de overlevering geweigerd moest worden. Tegelijkertijd werd de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen, waarbij de gevangenhouding tot aan de uitvoering van de straf werd gelast.
De rechtbank concludeerde dat de opgelegde straf niet onverenigbaar was met Nederlands recht en dat voldoende economische en familiale banden met Nederland bestonden, wat het belang van tenuitvoerlegging in Nederland rechtvaardigde. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.