ECLI:NL:RBAMS:2023:4400

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juni 2023
Publicatiedatum
12 juli 2023
Zaaknummer
13/751707-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en tenuitvoerlegging vrijheidsstraf in Nederland op grond van verjaring en gelijkstelling

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een persoon geboren in Polen in 1988. Het EAB betreft twee onderdelen: een vervolgingsgedeelte voor feiten uit 2008-2009 en een executie-deel van een opgelegde vrijheidsstraf van tien maanden.

Tijdens de procedure werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en duurzaam verblijfsrecht in Nederland bezit. De rechtbank oordeelde dat het vervolgingsgedeelte verjaard is volgens Nederlands recht, waardoor overlevering voor dat deel geweigerd wordt. Voor het executie-deel is de opgelegde straf niet onverenigbaar met Nederlands recht en kan deze worden overgenomen.

De rechtbank besloot daarom de overlevering aan Polen te weigeren, maar gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland te bevelen. De opgeëiste persoon werd uit de overleveringsdetentie ontslagen en in Nederland gevangen gehouden tot aan de uitvoering van de straf. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering aan Polen en beveelt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751707-17
Datum uitspraak: 8 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 2 augustus 2018 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2017 door
the Circuit Court in Katowice(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 8 november 2018
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 november 2018, in aanwezigheid van mr. U.E.A. Weitzel, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.K. Bulthuis, advocaat in Groningen. Het onderzoek is voor onbepaalde geschorst om de antwoorden af te wachten op aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde prejudiciële vragen in de zaak Popɫawski (C-573/17).
Zitting 25 mei 2023
De behandeling van het EAB is, met toestemming, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 25 mei 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Groningen, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [2] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. [3]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een beslissing
of provisional arrestvan
the District Court in Siemianowice Ślaskievan 3 september 2010 (referentienummer II KP 253/10). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten.
Het EAB vermeldt daarnaast een vonnis van
the Circuit Court in Katowicevan 7 december 2009 (referentienummer XVI K 171/08).
In relatie tot laatstgenoemd vonnis vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 april 2023 blijkt dat de straf bij dit vonnis voorwaardelijk is opgelegd. Tevens blijkt uit die informatie dat de straf bij vonnis van 8 april 2011 (referentienummer XVI K 171/08) is omgezet in een onvoorwaardelijke straf door
the District Court in Siemianowice Ślaskievanwege het niet nakomen van de voorwaarden. De opgeëiste persoon dient de gehele straf nog te ondergaan.
De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. [4]

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op, voor wat betreft de vervolging van de opgeëiste persoon:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
De feiten leveren naar Nederlands recht op, voor wat betreft het vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW in verbinding met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
Tijdens de behandeling op de zitting van 8 november 2018 heeft de rechtbank vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de vereisten gelijkgesteld te worden met een Nederlander. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zijn duurzame verblijfsrecht sindsdien heeft verloren. Er is derhalve aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden zoals bedoeld in de artikelen 6 OLW en 6a, negende lid, OLW.
Ten aanzien van het judgement of the Circuit Court in Katowice van 7 December 2009 (referentienummer XVI K 171/08).
Met betrekking tot dit onderdeel van het EAB geldt dat – nu de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander – de rechtbank moet beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 4. weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
Ten aanzien van the decision on provisional arrest van the District Court in Siemianowice Ślaskie van 3 september 2010, (referentienummer II KP 253/10).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van verjaring van de mogelijkheid van vervolging voor de feiten die ten grondslag liggen aan dit gedeelte van het EAB.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW kan de overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen vervolging meer kan plaatshebben.
De rechtbank dient dan ook eerst de vraag te beantwoorden of naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord, nu de opgeëiste persoon gelijkgesteld wordt met een Nederlander.
Het feit is volgens het EAB gepleegd in de periode tussen september 2008 en december 2009. Het nationale aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op 3 september 2010 en ziet op een feit dat naar Nederlands recht een misdrijf betreft, strafbaar gesteld in artikel 3, onder b, juncto artikel 11, tweede lid, Opiumwet met een maximale gevangenisstraf van twee jaren.
Uit artikel 70, eerste lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht (Sr) volgt dat het recht tot strafvordering voor een misdrijf waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, in zes jaren vervalt door verjaring.
De rechtbank concludeert dat de verjaring op 3 september 2010 is gestuit wegens de uitvaardiging van het nationale aanhoudingsbevel. Na de stuiting van de verjaring vangt ingevolge artikel 72, tweede lid, Sr een nieuwe verjaringstermijn aan. Volgens dit artikel vervalt het recht tot strafvordering ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn. Er geldt daarom in dit geval een verjaringstermijn van twaalf jaren, die ingevolge artikel 71 Sr Pro is aangevangen in december 2009.
De rechtbank stelt vast dat daarmee ten aanzien van de vervolging voor dit feit sprake is van een (in december 2021) voltooide verjaring.
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW staat daarom in beginsel aan overlevering van de opgeëiste persoon in relatie tot het feit waarvoor Polen hem wenst te vervolgens in de weg, met dien verstande dat dit artikel een facultatief karakter heeft. Zowel de raadsvrouw als de officier van justitie hebben de rechtbank verzocht om gebruik te maken van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
De rechtbank volgt de raadsvrouw en de officier van justitie hierin. Zij komt tot het oordeel niet van weigering af te zien op grond van de volgende omstandigheden: de geringe ernst van het gepleegde strafbare feit (het gaat om het verstrekken van een geringe hoeveelheid marihuana en hasjiesj, te weten respectievelijk 30 en 20 gram), het lange tijdsverloop na het intreden van de verjaring en de omstandigheid dat het om een zeer oud feit (gepleegd in 2008 en 2009) gaat. De rechtbank acht daarbij van belang dat de opgeëiste persoon vanaf 2010 in Nederland in de Basisregistratie Personen ingeschreven staat, waaruit blijkt dat hij zich niet schuil heeft willen houden voor de Poolse autoriteiten. Daarnaast is het niet aan de opgeëiste persoon te wijten dat de behandeling van de vordering na de aanhouding daarvan op de zitting van 8 november 2018, pas op 25 mei 2023 weer is voortgezet.
De rechtbank heeft de opgeëiste persoon er op gewezen dat, indien de rechtbank thans weigert de overlevering toe te staan, dit niet betekent dat hij bij verblijf in andere landen dan Nederland, niet opnieuw kan worden aangehouden en (eventueel) wel kan worden overgeleverd. De opgeëiste persoon heeft nadrukkelijk meegedeeld desalniettemin eraan de voorkeur te geven niet overgeleverd te worden aan Polen.
Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden zal de rechtbank de overlevering in relatie tot het uitgevaardigde nationale aanhoudingsbevel van 3 september 2010 (referentienummer II KP 253/10) weigeren op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef onder f, OLW.

6.Slotsom

Nu ten aanzien van het vervolgings-deel van het EAB is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt de overlevering voor dat deel geweigerd. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de beoordeling van de overige weigeringsgronden.
Nu ten aanzien van het executie-deel van het EAB is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, dient de overlevering te worden geweigerd, met gelijktijdig bevel tot de tenuitvoerlegging van die straf in Nederland.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 246 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 9 van de Overleveringswet.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Katowice(Polen) voor het feit waarvan hij wordt verdacht, zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB, welk feit ten grondslag ligt aan de beslissing
of the District Court in Siemianowice Ślaskievan 3 september 2010 (referentienummer II KP 253/10).
WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Katowice(Polen) voor het feit, zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB, welk feit ten grondslag ligt aan de veroordeling van
of the Circuit Court in Katowice of 7 December 2009(referentienummer XVI K 171/08), waarbij een vrijheidsbenemende straf is opgelegd van tien maanden.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3. bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22 OLW Pro.
3.De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
4.Zie onderdeel e) van het EAB.