De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Amsterdam om de verlenging van de exploitatievergunning van een eetcafé te weigeren. De weigering is gebaseerd op de negatieve invloed van het horecabedrijf op het woon- en leefklimaat, de openbare orde en veiligheid, en het ernstige gevaar dat de vergunning gebruikt zal worden voor strafbare feiten.
De burgemeester baseerde het besluit op diverse rapporten, waaronder politieprocessen-verbaal, constateringsrapporten van de ondermijningsbrigade, boeterapporten van de Arbeidsinspectie en bevindingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Deze stukken tonen meerdere incidenten, overtredingen van arbeids- en hygiënewetgeving en onregelmatigheden in de financiële administratie.
Verzoekster stelde dat de sluiting grote financiële gevolgen zou hebben en dat de situatie verbeterd is door adequaat politieoptreden en aanpassingen in de bedrijfsvoering. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het belang van de openbare orde en veiligheid zwaarder weegt dan het financiële belang van verzoekster. Tevens ontbrak onderbouwing dat weigering tot onomkeerbare financiële problemen zou leiden.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De uitspraak is bindend voor de bezwaarfase en er is geen aanleiding voor een griffierechtvergoeding of proceskostenveroordeling.