ECLI:NL:RBAMS:2023:422

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 januari 2023
Publicatiedatum
1 februari 2023
Zaaknummer
13.330'744-22 (EAB III)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 12 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens schending verdedigingsrechten

De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 december 2022 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Hongarije, op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Hongaarse rechtbanken. De opgeëiste persoon werd verdacht van feiten waarvoor hij in Hongarije tot gevangenisstraffen van één jaar en zes maanden was veroordeeld.

De verdediging voerde aan dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), omdat de opgeëiste persoon niet in persoon was verschenen bij de buitenlandse strafprocedures en niet adequaat was geïnformeerd over de processen. De officier van justitie betwistte dit, stellende dat er voldoende garanties waren, waaronder de aanwezigheid van een gemachtigde advocaat.

De rechtbank onderzocht de feiten en concludeerde dat de opgeëiste persoon niet persoonlijk was opgeroepen en niet op de hoogte was gesteld van de strafprocedures, noch dat hij effectief werd vertegenwoordigd. De Hongaarse autoriteiten hadden documenten naar adressen gestuurd die niet door de opgeëiste persoon waren opgegeven, en er was geen bewijs dat hij afstand had gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen. Hierdoor zou overlevering leiden tot een schending van zijn verdedigingsrechten.

De rechtbank oordeelde daarom dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is en zag geen reden om daarvan af te wijken. De overlevering werd geweigerd en het bevel tot gevangenneming opgeheven. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon aan Hongarije wegens schending van zijn verdedigingsrechten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.330.744-22 (EAB III)
RK nummer: 22/5148
Datum uitspraak: 12 januari 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 december 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 november 2022 door
the Budapest Environs Regional Court(Hongarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1993,
verblijvende op het adres: [adres opgeëiste persoon] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 december 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C. Baaijens, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Hongaarse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van
een
judgementvan
the District Court of Dunakeszivan 11 mei 2022, onherroepelijk op 9 juni 2022, met zaaknummer 20.B.72/2021/32;
een
judgementvan
the Buda Central District Courtvan 24 april 2020, onherroepelijk op 26 mei 2020, met zaaknummer 250.Bpk.X.50532/2020/3.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar (vonnis I) en van zes maanden (vonnis II), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Standpunten verdediging en officier van justitie
De raadsman heeft weigering van de overlevering bepleit.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro niet aan de orde is. Weliswaar is de opgeëiste persoon niet in persoon verschenen bij de processen die tot de beslissingen hebben geleid, maar ten aanzien van vonnis I. doet de omstandigheid van artikel 12 onder Pro b OLW zich voor, er was sprake van een gemachtigd advocaat, en ten aanzien van vonnis II doet de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder Pro a OLW zich voor, nu de opgeëiste persoon in persoon voor de zitting is opgeroepen.
4.2
Oordeel van de rechtbank
4.2.1
Ten aanzien van vonnis I.
Bij schrijven van 22 december 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verschaft:
With reference to decision no. 20.B.72/2021/32 issued by the Dunakeszi Municipal Court
1. The defendant was not under arrest.
2. Following his conviction, he moved to an unknown address, and was summoned by public notice.
3. He was served previously at the address [adres 1] and at [adres 2] . He was notified on 1 st February 2021 in the summons, but since then he has not taken over anything. In the summons of 1 st February 2021 he was notified of the consequences (for example arrest and reimbursement of expenses). The summons by public notice also included the possibility of arrest. Furthermore, the indictment was served to [vertegenwoordiger] , his authorised representative at his address [adres 2] , which contained a complete formal warning.
4. His legal representative has been Dr. Melinda Illés since the EAW was issued, she attended all hearings and trials.
5. The sentence of the court has become final on 9th June 2022, by public notice, therefore [opgeëiste persoon] does not have the right to appeal the sentence. According to Section 637 Paragraph 1, Point g) of the Act XC of2017 he may request a retrial.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Weliswaar had de opgeëiste persoon blijkens de aanvullende informatie onder 4. een ‘
legal representative’, maar daaraan wordt toegevoegd ‘
since the EAW was issued’. Niet blijkt dat deze persoon door de opgeëiste persoon is gemachtigd om namens hem tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak het woord te voeren en ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. De omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder Pro b OLW doet zich dan ook niet voor.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de beschikbare informatie kan de rechtbank niet afleiden dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en van het feit dat een strafrechtelijke procedure was gestart. Niet blijkt dat hij op enig moment als verdachte is gehoord en dat hij in dat kader een adres aan de Hongaarse justitiële autoriteiten heeft opgegeven. Er is door de Hongaarse justitiële autoriteiten post naar twee adressen gezonden, maar niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon deze adressen heeft opgegeven als postadressen. Hij zou op 1 februari 2021 van de dagvaarding op de hoogte zijn gesteld, maar niet blijkt of hij deze daadwerkelijk heeft ontvangen. Er blijkt slechts dat de dagvaarding zou zijn betekend aan [vertegenwoordiger] ‘
his authorised representative’.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest noch dat kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon, door zijn handelwijze, stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces in hoger beroep. Overlevering leidt daarom tot een schending van zijn verdedigingsrechten.
4.2.1
Ten aanzien van vonnis II.
Bij schrijven van 22 december 2022 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verschaft:
With reference to decision no. 250.Bpk.X.50532/2020/3 issued by the Central District Court of Pest
6. In the proceedings, the defendant was not under arrest.
(This answer is to questions 6 and 7)
At the Prosecution Office's motion, this case was adjudicated in the proceedings aiming the delivery of a penalty order under Section 740(1) of Act XC of 2017 on the Code of Criminal Procedure (Be). The Court served penalty order No. 250.Bpk.X.50.532/2020/3, dated 24 April 2020, and the indictment in convict [opgeëiste persoon] to two of his address with notice A/5 (which means that the documents may be received only by him personally):
- H- [adres 2] .
- H- [adres 1]
Of these two addresses, the convict received penalty order No. 3 and the indictment in the post office belonging to the address at H- [adres 2] . on 18 May 2020. The documents were returned from the other address with notice "delivery obstructed".
Neither the defendant nor the Prosecution Office requested that a trial be held in the case.
In light of the above, penalty order No. 250.Bpk.X.50.532/2020/3 of the Pest Central District Court became final and binding on 26 May 2020.
Consequently, regarding convict [opgeëiste persoon] , it did not take place to schedule a trial and send summons and notice; moreover, the Court did not inform the convict about the obligations and consequences regarding the change of address.
7. Considering the fact that the participation of a defense counsel in the proceedings was not obligatory, no defense counsel was appointed to the defendant during the investigation or the court proceedings, the defendant did not authorize a defense counsel either.
8. Considering the fact that penalty order No. 3 of the Court became final and binding on 26 May 2020, the convict has no right to request a hearing against this penalty order under Section 742(2) of the Be. In this case, appeal is excluded under Section 742(1) of the Be. In the retrial proceedings regulated in appeal is excluded under Section 742(1) of the Be. In the retrial proceedings regulated in Chapter LXXXXIX of the Be, the convict may file a motion for retrial under general rules.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Naar het oordeel van de rechtbank doet de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder Pro a OLW zich niet voor. Niet is gebleken uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. Uit de aanvullende informatie blijkt immers dat de dagvaarding naar twee van de opgeëiste persoon bekende adressen is gezonden. Op het ene adres kon de post niet worden bezorgd en op het andere adres zou de post op het postkantoor dat bij dat adres hoorde, door de opgeëiste persoon zijn ontvangen op 18 mei 2020, dus na het vonnis op 24 april 2020.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de beschikbare informatie kan de rechtbank niet afleiden dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en van het feit dat een strafrechtelijke procedure was gestart. Niet blijkt dat hij op enig moment als verdachte is gehoord en dat hij in dat kader een adres aan de Hongaarse justitiële autoriteiten heeft opgegeven. Er is door de Hongaarse justitiële autoriteiten post naar twee adressen gezonden, maar niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon deze adressen heeft opgegeven als postadressen. Op 18 mei 2020 zou de opgeëiste persoon het vonnis hebben ontvangen en op 26 mei 2020 was de beslissing onherroepelijk. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon op 18 mei 2020 (nog) de mogelijkheid had om hoger beroep in te stellen en hieromtrent is geïnstrueerd.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest noch dat kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon, door zijn handelwijze, stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces in hoger beroep. Overlevering leidt daarom tot een schending van zijn verdedigingsrechten.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, dient de overlevering te worden geweigerd.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 12 OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Budapest Environs Regional Court(Hongarije) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB;
HEFT OPhet bevel gevangenneming.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. P. van Kesteren en M.E. van Rijn-Tonino, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.