Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2023:4202

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juni 2023
Publicatiedatum
6 juli 2023
Zaaknummer
13/071977-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OLWKaderbesluit 2002/584/JBZArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toestemming tenuitvoerlegging straf wegens schending specialiteitsbeginsel

De rechtbank Amsterdam heeft op 22 juni 2023 een beslissing genomen in een zaak betreffende een verzoek om aanvullende toestemming voor de tenuitvoerlegging van een straf opgelegd in Italië. Het verzoek was ingediend door de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 14 van Pro de Overleveringswet. De overgeleverde persoon, geboren in 1974, is thans gedetineerd in het buitenland.

De rechtbank oordeelde dat de beschikbare stukken niet toereikend waren om een beslissing te nemen met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon. De rechtbank had de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om de overgeleverde persoon de mogelijkheid te bieden om zijn opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken, maar dit was onvoldoende gebleken. De enkele mededeling dat de overgeleverde persoon geen afstand wenst te doen van het specialiteitsbeginsel volstond niet.

De rechtbank concludeerde dat de overgeleverde persoon niet feitelijk de kans heeft gehad om zijn bezwaren tegen het verzoek tot toestemming te uiten. Daarom werd het verzoek om toestemming voor de tenuitvoerlegging van de straf geweigerd. De beslissing werd genomen door de voorzitter P. van Kesteren en de rechters M.C. Eggink en L. Sanders.

Uitkomst: De rechtbank weigert toestemming voor de tenuitvoerlegging van de straf wegens onvoldoende waarborg van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/071977-23
Datum beslissing: 22 juni 2023
BESLISSING
op de vordering op grond van artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 28 maart 2023, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Dit verzoek is ingediend door
the Prosecutor General of the Republic of Reggio Calabria, Italië, op 15 juli 2022 en betreft:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] (Italië),
thans gedetineerd in [land],
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn niet toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
De rechtbank overweegt dat zij de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gevraagd om de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid te geven al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken (vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63), en de schriftelijke verslaglegging daarvan aan de rechtbank te doen toekomen. Daarbij heeft zij verduidelijkt dat het de bedoeling is om de overgeleverde persoon te (doen) horen over het verzoek tot toestemming en hem in dat verband te vragen of hij bezwaren heeft tegen inwilliging door Nederland van dit verzoek en zo ja, welke bezwaren. De enkele mededeling dat de overgeleverde persoon geen afstand wenst te doen van de bescherming van het specialiteitsbeginsel volstaat niet. Uit de aanvullende informatie van de Italiaanse autoriteiten blijkt niet meer dan dat aan de overgeleverde persoon op 6 juli 2022 en 18 februari 2023 gevraagd is of hij afstand wilde doen van het specialiteitsbeginsel. De overgeleverde persoon heeft hierop steeds ontkennend geantwoord. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken, zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

2.Beslissing

De rechtbank:
weigertop grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, en derde lid, OLW toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf van [opgeëiste persoon] voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 22 juni 2023 door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. M.C. Eggink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,