Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2023:3486

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 mei 2023
Publicatiedatum
1 juni 2023
Zaaknummer
09/216014-20 (tul)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:21 SvArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke ISD-maatregel na recidive

Veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van 4 maart 2021 door de rechtbank Den Haag veroordeeld tot een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar met een proeftijd van twee jaar. Deze maatregel zou niet ten uitvoer worden gelegd tenzij veroordeelde zich binnen de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakte.

Op 3 april 2023 verzocht de officier van justitie de rechtbank Amsterdam om de tenuitvoerlegging van de maatregel te gelasten, omdat veroordeelde zich tijdens de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan strafbare feiten. Tijdens de zitting op 3 mei 2023 werden de officier van justitie, veroordeelde, diens raadsman en een reclasseringswerker gehoord.

De reclassering adviseerde de onvoorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel, omdat het eerdere behandeltraject onvoldoende effect had gehad en er sprake was van terugval in middelengebruik en recidive. De verdediging betoogde dat de ISD-maatregel een ultimum remedium is en dat nog niet alle alternatieven waren geprobeerd. De rechtbank oordeelde echter dat de maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive, en wees de vordering tot tenuitvoerlegging toe.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaar wegens recidive.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht

Parketnummer: 09/216014-20 (tul)

Uitspraakdatum: 17 mei 2023
Beslissing van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer in strafzaken, op de vordering ex artikel 6:6:21 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel in de zaak van:

[veroordeelde] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaat] .
(hierna: veroordeelde).

De opgelegde maatregel

Veroordeelde is bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2021 veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij is - voor zover thans van belang - bepaald dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De vordering

De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 3 april 2023 strekt ertoe dat de rechtbank alsnog de tenuitvoerlegging zal bevelen van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel.

De procedure ter zitting

De rechtbank heeft op 3 mei 2023 op de openbare terechtzitting gehoord de officier van justitie, veroordeelde en diens raadsman mr. J.B. Faassen, advocaat in Amsterdam, alsmede mevrouw [naam] , reclasseringswerker bij GGZ Reclassering Fivoor, belast met het toezicht houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
  • voormeld vonnis;
  • een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering door de officier van justitie aanstonds na de uitspraak op de terechtzitting aan veroordeelde in persoon is uitgereikt/betekend;
  • het advies van GGZ Reclassering Fivoor in Leiden van 13 april 2023, waarin - kort gezegd - wordt geadviseerd om aan veroordeelde de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering. Hij heeft aangevoerd dat tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren noodzakelijk is, aangezien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

Standpunt van en namens veroordeelde

De raadsman van veroordeelde heeft de rechtbank verzocht om aan laatstgenoemde geen
ISD-maatregel op te leggen. Daartoe voert de raadsman aan dat oplegging van een ISD-maatregel een ultimum remedium betreft, en dat nog niet alle andere mogelijkheden geprobeerd zijn. Verdachte werkt mee tijdens klinische behandelingen en heeft aangegeven dat hij ambulante begeleiding wenst. Dat er voor hem geen geschikte plek beschikbaar is, kan hem niet worden aangerekend. De incidenten die hieruit voortkomen, kunnen hem dan ook niet (volledig) worden aangerekend. Derhalve verzoekt de verdediging om afwijzing van de vordering.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat verdachte op 4 maart 2021 door de rechtbank Den Haag een laatste kans heeft gekregen. Op grond van het advies van GGZ Reclassering Fivoor en de behandeling van de vordering ter zitting is komen vast te staan dat het reeds gevolgde behandeltraject binnen de voorwaardelijke ISD-maatregel onvoldoende heeft geleid tot gedragsverandering in recidivevermindering. Er is meermalen sprake geweest van terugval in middelengebruik en het plegen van strafbare feiten. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de vordering niet ten uitvoer te leggen. Ter beëindiging van de recidive van verdachte en ter optimale bescherming van de maatschappij, zal de rechtbank overeenkomstig het advies van de reclassering, de vordering toewijzen en de tenuitvoerlegging van de maatregel voor de duur van twee jaren bevelen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe en beveelt de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Deze beslissing is genomen door
mr. A.M. Grüschke, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en M. Samadi, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. L. Tal en N. Heida, griffiers,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 17 mei 2023.