ECLI:NL:RBAMS:2023:341

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2023
Publicatiedatum
27 januari 2023
Zaaknummer
13/751985-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraf Nederland wegens Nederlandse nationaliteit

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 januari 2023 een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Portugal op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 16 juli 2020. De verdachte werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en was veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en zes maanden. De verdachte had de Nederlandse nationaliteit en verbleef in Nederland.

De rechtbank constateerde dat de beslistermijn van 90 dagen voor het overleveringsverzoek was verstreken, waardoor geen grondslag meer bestond voor gevangenhouding. De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde zijn Nederlandse nationaliteit. De rechtbank toetste de overlevering aan de weigeringsgronden van de Overleveringswet (OLW), met name artikel 12 OLW Pro over het ontbreken van aanwezigheid bij het hoger beroep, en artikel 6a OLW dat overlevering van Nederlanders kan weigeren indien de straf in Nederland kan worden overgenomen.

Hoewel de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij het hoger beroep, was hij vertegenwoordigd door een advocaat, waardoor geen schending van verdedigingsrechten werd geconstateerd. De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland mogelijk was, dat de straf niet onverenigbaar was met Nederlands recht, en dat de opgelegde straf binnen de Nederlandse strafmaxima viel. De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland te bevelen, inclusief gevangenhouding tot aan de uitvoering van de straf.

De raadsman had verzocht om uitstel of schorsing van de gevangenhouding vanwege de oude zaak, de VI-regeling en erbarmelijke detentieomstandigheden in Portugal, maar de rechtbank vond deze omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg om het bevel te schorsen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering aan Portugal en beveelt de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland met gevangenhouding tot aan de uitvoering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751985-20
RK nummer: 22/1137
Datum uitspraak: 26 januari 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 juli 2020 door
The Lisbon District Judicial Court(Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] (alias [alias opgeëiste persoon]),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 januari 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW Pro op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
Collective Ruling from the 19th of July 2006 with res judicata effect on the date of the 3rd of May 2010. Reference: Common-Form procedure – Case no. 181/05.7JELSB, from the Lisbon Central Criminal Court – Judge 10 (former 6th Criminal Chamber of Lisbon).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar en zes maanden. Van deze straf wordt de periode die de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis heeft gezeten, afgetrokken. Volgens de aanvullende informatie van 27 april 2022 heeft de opgeëiste persoon tussen 25 mei 2005 en 25 september 2007 in voorlopige hechtenis gezeten. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Uit de aanvullende informatie van 3 januari 2023 volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden, waarbij de zaak ten gronde is behandeld, en dat er op 4 februari 2009 arrest is gewezen. De rechtbank zal daarom dit hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 aanhef Pro en onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 3 januari 2023 volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het proces in eerste aanleg aanwezig is geweest, alsook bij de uitspraak in eerste aanleg op 19 juli 2006. Op 17 september 2007 is hij onder voorwaarden vrijgelaten uit de voorlopige hechtenis. De opgeëiste persoon heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces in hoger beroep, maar wel een door hem gekozen raadsvrouw.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het strafproces in hoger beroep en heeft een advocaat gekozen om in hoger beroep zijn verdediging te voeren. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van de opgeëiste persoon om zich, desgewenst, door zijn advocaat te laten informeren over het proces in hoger beroep.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Portugal een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Portugal
opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Het feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de gevangenhouding nog niet te bevelen, zodat de tenuitvoerlegging op een later moment kan geschieden. Het betreft namelijk een zeer oude zaak, er moet nog het een en ander worden uitgezocht door de Minister met betrekking tot de VI-regeling en de detentieomstandigheden waaronder de opgeëiste persoon in Portugal heeft vastgezeten waren zeer erbarmelijk. Daarbij is er geen sprake van enig vluchtgevaar. Subsidiair, voor het geval de rechtbank wel de gevangenhouding beveelt, heeft de raadsman verzocht om schorsing daarvan.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de genoemde omstandigheden geen uitzonderlijke omstandigheden betreffen die maken dat het bevel gevangenhouding nog niet zou moeten worden afgegeven of zou moeten worden geschorst.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, dient de overlevering te worden geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 6a, 7 en 12 Overleveringswet.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon] (alias [alias opgeëiste persoon])aan
The Lisbon District Judicial Court(Portugal) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3. bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon] (alias [alias opgeëiste persoon])tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
Aldus gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. G.M. Beunk en A.J. Scheijde, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 26 januari 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.