ECLI:NL:RBAMS:2023:3365

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 april 2023
Publicatiedatum
30 mei 2023
Zaaknummer
13-262801-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanranding in opvangcentrum met verminderd toerekeningsvatbare verdachte

Op 26 april 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van aanranding in een opvangcentrum. De zaak betreft een incident dat plaatsvond in de nacht van 25 op 26 september 2020, waarbij de verdachte de woningunit van het slachtoffer betrad en hem ontuchtige handelingen oplegde. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting op 13 april 2023 gehouden, waarbij de officier van justitie, mr. R. Refos, de vordering heeft ingediend en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. W. Drummen, zijn verdediging heeft gevoerd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, ondanks zijn ontkenning, door de verklaringen van het slachtoffer en getuigen, alsook door de waarnemingen van de verbalisanten, voldoende bewijs heeft geleverd voor de bewezenverklaring van de aanranding. De rechtbank heeft daarbij de emotionele toestand van het slachtoffer en de inconsistenties in zijn verklaring in overweging genomen, maar concludeert dat deze niet afdoen aan de betrouwbaarheid van zijn getuigenis. De verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar verklaard, wat invloed heeft gehad op de strafmaat.

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken, met bijzondere voorwaarden waaronder ambulante behandeling en beschermd wonen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoonlijke situatie van de verdachte, die te maken heeft met zijn psychische toestand en verblijfsstatus.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/262801-21
Datum uitspraak: 26 april 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1989,
verblijvende in de [kliniek 1] op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Refos en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. W. Drummen naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 september 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij verdachte;
- in de nacht de woningunit van die [slachtoffer] betreden en/of is bij die [slachtoffer] in bed gekropen en/of
- die [slachtoffer] over diens benen en/of billen, in elk geval zijn onderlichaam gestreeld.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit vanwege gebrek aan bewijs. Verdachte ontkent het tenlastegelegde te hebben begaan en heeft een andere verklaring over wat er is gebeurd. De verklaring van verdachte is aannemelijk en wordt niet weerlegd door de bewijsmiddelen. De getuigen hebben het strafbare feit niet waargenomen. Daarnaast heeft aangever inconsistent verklaard over waar hij zou zijn aangeraakt door verdachte. Bovendien is het opmerkelijk dat de deur van de wooncontainer c.q. unit open was, terwijl de getuigen hebben verklaard dat deze altijd gesloten is.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt, met de officier van justitie, het feit bewezen. De rechtbank overweegt over het bewijs het volgende.
Algemene overweging met betrekking tot zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken veelal bewijstechnisch lastige zaken zijn. Kenmerkend voor zedenzaken is vaak de aanwezigheid van slechts twee personen bij de verweten gedragingen: de persoon die stelt slachtoffer te zijn en de verdachte. Daarbij staan de verklaringen van deze personen vaak lijnrecht tegenover elkaar. Dat is in deze zaak ook het geval.
Bij de waardering van het bewijs en de beoordeling van de tenlastelegging is van belang dat, volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering, het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één persoon. Er moet sprake zijn van steunbewijs dat niet alleen van dezelfde bron afkomstig is.
Het steunbewijs hoeft bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is voldoende wanneer de verklaring van aangever op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Indien een verklaring van een getuige (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt van de emotionele of fysieke toestand van een aangever op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het ten laste gelegde.
Verklaring aangever
Aangever heeft verklaard dat hij in de nacht van 25 op 26 september 2020 in zijn kamer bij het [opvangcentrum] in Amsterdam lag te slapen. Hij lag naakt onder een kleed en ineens voelde hij dat iemand bij zijn kont en benen bezig was. Hierdoor werd hij wakker. Aangever opende zijn ogen en zag verdachte. Aangever voelde twee handen op zijn dijen en billen. Aangever pakte de handen van verdachte, waarop verdachte kopstoten gaf die op het hoofd en de borst van aangever terecht kwamen. Aangever schreeuwde, waarop zijn vrienden kwamen. Een van de vrienden, [naam 1] (hierna: [naam 1] ), heeft aangever geholpen om verdachte op te sluiten in het toilet op de gang. Verdachte probeerde het toilet uit te komen, maar aangever en [naam 1] hielden de deur dicht. Na ongeveer 20-25 minuten kwam de politie ter plaatse.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting de beschuldiging ontkend. Hij heeft verklaard dat hij ’s nachts rond 4 uur buiten liep en dat hij toen aangever, die hij nooit eerder had ontmoet, vanuit zijn raam om hulp hoorde roepen. Verdachte is toen de wooncontainer in gegaan, aangever opende voor hem de deur. Aangever deed vervolgens de deur direct achter verdachte op slot en probeerde de broek van verdachte omlaag te trekken. Verdachte is naar de wc gevlucht en heeft de deur van de wc op slot gedraaid en 112 gebeld.
Beoordeling rechtbank
Anders dan de raadsvrouw, ziet de rechtbank geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever te twijfelen. Zijn verklaring wordt op onderdelen ondersteund door de waarneming van de verbalisanten ter plaatse en door de verklaringen van getuigen [naam 1] en [naam 2] . Verbalisanten hebben gerelateerd dat zij zagen dat aangever zijn voet tegen de deur van de wc hield. Zij openden vervolgens de deur en zagen verdachte in de wc staan. Zij hoorden aangever in het Engels zeggen ‘Hij raakte mijn been aan!’. Getuige [naam 1] heeft verklaard dat hij zijn buurman met een angstschreeuw om hulp hoorde schreeuwen. Hij zag dat aangever bibberend de deur van de wc dicht hield. [naam 1] hielp aangever om de deur dicht te houden, omdat verdachte steeds probeerde uit te breken. Getuige [naam 2] heeft verklaard dat aangever heel erg bang was en dat aangever de deur van de wc vast hield terwijl verdachte in de wc was. Hij hield de deur van de wc vast omdat hij niet wilde dat verdachte weg zou gaan.
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat aangever inconsistent heeft verklaard over de plek(ken) waar verdachte hem heeft aangeraakt. De rechtbank begrijpt dat de raadsvrouw hiermee bedoelt dat het de betrouwbaarheid van de verklaring aantast. De rechtbank is van oordeel dat deze inconsistenties kunnen worden verklaard door de emotionele toestand waarin aangever zich bevond. Ook de taalbarrière kan hieraan debet zijn geweest. Verbalisanten hebben namelijk verklaard dat zij het Engels van aangever ter plaatse lastig konden verstaan. De latere aangifte is met bijstand van een tolk gedaan. Deze inconsistenties zijn daarom onvoldoende reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever te twijfelen.
Hoewel de getuigen en de verbalisanten de ontuchtige handelingen niet hebben waargenomen, hebben zij wel direct na de aanranding de hevige emoties bij aangever gehoord en gezien. Zijn schreeuw om hulp wordt door getuige [naam 1] omschreven als een angstschreeuw, alsof hij aan het verdrinken was. Verder heeft [naam 1] verklaard dat aangever erg aan het stressen en aan het bibberen was toen ze voor de wc deur zaten en dat hij niet uit zijn woorden kon komen. Aangever probeerde door zijn angst heen aan [naam 1] te vertellen wat er was gebeurd. [naam 2] heeft verklaard dat aangever heel erg bang was en tegen hem zei dat hij naar de bewaking moest gaan. Naar het oordeel van de rechtbank levert het voorgaande voldoende steunbewijs op voor de tenlastegelegde gedragingen.
Het door verdachte geschetste scenario is niet aannemelijk geworden. Uit het dossier volgt weliswaar dat verdachte degene is geweest die vanaf het toilet 112 heeft gebeld, maar verder vindt zijn verklaring geen steun in het dossier. De verklaring van verdachte dat hij zichzelf ter bescherming en in afwachting van de politie heeft opgesloten in het toilet, wordt door de bewijsmiddelen zelfs weerlegd. Uit deze bewijsmiddelen blijkt immers dat het de verdachte was die steeds probeerde uit te breken. De omstandigheid dat de toegangsdeur van de woonunit kennelijk niet zoals gebruikelijk op slot zat leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwerpt het verweer.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank vindt op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat verdachte:
op 26 september 2020 te Amsterdam, door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij verdachte
- in de nacht de woningunit van die [slachtoffer] betreden en is bij die [slachtoffer] in bed
gekropen en
- die [slachtoffer] over diens benen en billen, in elk geval zijn onderlichaam gestreeld.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

De deskundige S.M.M. Lange, psychiater in opleiding, heeft, onder supervisie van de deskundige M.M. Sprock, psychiater, verdachte in het kader van een winkeldiefstal op 8 augustus 2020 onderzocht. Naar aanleiding daarvan hebben de deskundigen op 8 februari 2021 een Pro Justitia-rapport uitgebracht. Samenvattend komen de deskundigen tot de conclusie dat verdachte een posttraumatische stress-stoornis, een psychotische stoornis in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis en een lichte stoornis in het gebruik van in ieder geval alcohol en cannabis heeft. Ook lijkt er sprake van acculturatieproblematiek.
De deskundigen hebben vastgesteld dat de stoornissen ten tijde van de winkeldiefstal aanwezig waren en de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte hebben beïnvloed tijdens de winkeldiefstal. Welke rol de stoornissen precies hebben gespeeld, is moeilijk vast te leggen. Wel hebben de deskundigen vastgesteld dat verdachte een langere periode ontregeld was en zich in de periode rondom de winkeldiefstal in een slechte psychische toestand bevond (vanaf medio augustus 2020 waren er tekenen van (rand)psychotisch en seksueel ontremd gedrag te zien). Dit beïnvloedde het gedrag van verdachte, waardoor hij regelmatig in aanraking kwam met politie en justitie, uit zorg ging en (tijdelijk) dakloos raakte. De deskundigen hebben ten aanzien van de winkeldiefstal geadviseerd om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.
De officier van justitie heeft verzocht ook het in deze zaak ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over de toerekenbaarheid.
De rechtbank heeft het advies van deskundigen ook in ogenschouw genomen in de huidige zaak en is van oordeel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is voor het ten laste gelegde feit. De rechtbank vindt het aannemelijk dat de naar aanleiding van de winkeldiefstal op 8 augustus 2020 bij verdachte vastgestelde stoornissen ook de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte rondom de aanranding op 26 september 2020 hebben beïnvloed.

7.Motivering van de straf

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met de door hem aangenomen verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De officier van justitie heeft ook meegewogen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is en dat het een oude zaak is.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte is midden in de nacht binnengedrongen in de kamer van het slachtoffer [slachtoffer] en heeft het slachtoffer vervolgens gedwongen ontuchtige handelingen te dulden. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van het slachtoffer. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is bovendien een zeer intimiderend feit, nu iemand zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen in zijn eigen kamer of woning. Uit de verklaringen van [slachtoffer] blijkt dat het handelen van verdachte een grote invloed op hem heeft gehad en dat hij erg is geschrokken.
Uit het strafblad van verdachte van 1 maart 2023 blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. De afgelopen vijf jaar is verdachte wel meerdere malen veroordeeld voor andersoortige feiten. Vanwege drie veroordelingen na de pleegdatum van het onderhavige feit is artikel 63 Sr van toepassing.
Naast het onder 6 genoemde rapport van 8 februari 2021 heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 28 december 2022. Hieruit volgt onder meer dat er geen delictpatroon is op het gebied van zedendelicten. De reclassering schat het recidiverisico, het risico op letselschade en het risico op onttrekking aan de voorwaarden bij verdachte hoog in. De aanhoudende onzekerheid over zijn verblijfsstatus, huisvesting, psychosociaal functioneren en middelengebruik zijn risicofactoren. Verdachte heeft vanaf mei 2022 in het kader van bijzondere voorwaarden klinisch verbleven in [naam kliniek 2] . In dit reclasseringsrapport staat dat de reclassering geen mogelijkheden ziet voor een plan van aanpak dat leidt tot gedragsverandering of risicobeheersing. Bijzondere voorwaarden in eerdere toezichten waren (deels) niet uitvoerbaar vanwege de verblijfsstatus van verdachte, waardoor hij geen recht heeft op sociale voorzieningen. Er kan derhalve geen uitvoering worden gegeven aan eventuele bijzondere voorwaarden en reclasseringsinterventies.
De rechtbank weegt mee dat de reclasseringsmedewerker [naam 3] op de zitting van 13 april 2023 heeft geadviseerd, ondanks de nog bestaande onzekerheid over de verblijfsstatus van verdachte, de bijzondere voorwaarden op te leggen dat verdachte meewerkt aan een ambulante behandeling en aan beschermd wonen. Verdachte is recent uitgestroomd naar een kliniek met een lager beveiligingsniveau, maar het klinisch traject eindigt begin mei 2023. De reclassering gaat ervan uit dat verdachte (tijdelijk) rechtmatig verblijf heeft, in ieder geval tot medio september 2023. Bij een vervolgtraject zou volgens de reclassering onder meer forensische ambulante behandeling nodig zijn.
De rechtbank houdt rekening met wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd.
Alles overwegende vindt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
4 (vier) weken.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat deze straf
niet ten uitvoerzal worden
gelegd, tenzij later anders wordt gelast, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
2 (twee) jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat veroordeelde meewerkt aan ambulante behandeling bij [instelling] of een andere door de reclassering te bepalen instelling en zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen van de behandelaar;
dat veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en A.L. Rinsma, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.H. van der Pol, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2023.
[...]