Op 14 juli 2020 werd verdachte verdacht van diefstal met geweld en het bezit van een vuurwapen in Amsterdam. De officier van justitie en de verdediging waren het eens dat verdachte vrijgesproken moest worden vanwege gebrek aan overtuigend bewijs.
Tijdens de terechtzitting van 4 mei 2023 was verdachte niet aanwezig. De rechtbank nam kennis van de vorderingen van het Openbaar Ministerie en de verdediging. Na beoordeling van het dossier en de pleidooien oordeelde de rechtbank dat het ten laste gelegde niet bewezen kon worden verklaard.
De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd voor materiële en immateriële schade, maar deze vordering werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank bepaalde dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij de rechters Meewisse, Bianchi en Bakhuis het vonnis hebben gewezen.