Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om zijn aanvraag voor een vergunning voor het aanbieden van alternatief personenvervoer met negen voertuigen van het type 1 en een voertuig van het type 2 af te wijzen. De vergunning was eerder verleend op basis van artikel 2.51 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), maar dit artikel is per 1 april 2020 gewijzigd waardoor het college meent niet langer bevoegd te zijn de vergunning te verlenen.
De rechtbank heeft onderzocht of de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het aanbieden van vervoer met de voertuigen. De rechtbank oordeelt dat het vervoer met voertuigen van het type 1 geen vervoersdienst is in de zin van de Dienstenrichtlijn, omdat het hoofdzakelijk gaat om rondleidingen door Amsterdam met een vermakelijk karakter. Daarom is de Dienstenrichtlijn hier wel van toepassing. Voor het voertuig van het type 2, dat vergelijkbaar is met een hop-on hop-off bus, geldt dat het wel een vervoersdienst betreft en de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit gedeeltelijk ten aanzien van het weigeren van de vergunning voor het aanbieden van vervoer met de negen voertuigen van het type 1 en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het beroep wordt dus deels gegrond verklaard. Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.