ECLI:NL:RBAMS:2023:2983

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 mei 2023
Publicatiedatum
10 mei 2023
Zaaknummer
C/13/725346 / HA RK 22-7122
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:81 BWArt. 1:84 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vaststelling onderhoudsbijdrage tussen gehuwde partijen zonder echtscheidingsverzoek

Partijen, gehuwd sinds 1990 en met zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit, leven gescheiden zonder echtscheidingsverzoek. De vrouw verzoekt de rechtbank om vaststelling van een maandelijkse onderhoudsbijdrage van €1.500,- van de man voor de kosten van de huishouding. De man verzet zich hiertegen en stelt dat zijn inkomen onvoldoende is om deze bijdrage te betalen.

De rechtbank neemt kennis van het verzoekschrift, het verweerschrift en een werkgeversverklaring van de man. Tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren zijn partijen gehoord. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering en kostgeld van meerderjarige kinderen, maar heeft geen concrete onderbouwing van de totale kosten van de huishouding of haar eigen inkomsten overgelegd.

De man heeft een loonspecificatie overgelegd waaruit blijkt dat hij in juni 2022 netto €677,53 heeft ontvangen en dat hij sinds februari 2023 nog maar voor één werkgever werkt. Hij draagt maandelijks bij aan de kosten van de jongste minderjarige zoon.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd omdat de vrouw niet heeft aangetoond wat de totale kosten van de huishouding zijn en geen volledig inzicht heeft gegeven in haar inkomsten. Hierdoor is niet vast te stellen hoe de kosten tussen partijen verdeeld moeten worden. Het verzoek wordt daarom afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de kosten van de huishouding en de inkomsten van de vrouw.

Uitspraak

Beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/725346 / FA RK 22-7122
Beschikking van 10 mei 2023 betreffende vaststelling onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • het verzoekschrift van de vrouw ingekomen op 2 november 2022;
  • het verweerschrift met bijlage van de man ingekomen op 6 december 2022, waaronder .
1.2.
De zaak is mondeling behandeld met gesloten deuren op 5 april 2023.
Verschenen en gehoord zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Door de man is een werkgeversverklaring overgelegd.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. Zij zijn op 19 juli 1990 in Marokko gehuwd. Uit dit huwelijk zijn drie thans meerderjarige kinderen geboren en de thans nog minderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] . Alle kinderen wonen bij de vrouw.
2.2.
De man heeft de echtelijke woning verlaten. Partijen wensen geen verzoek tot echtscheiding in te dienen.

3.Het verzoek en het verweer

onderhoudsbijdrage
3.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar maandelijks een bedrag van € 1.500,- zal voldoen als bijdrage in de kosten van de huishouding.
3.2.
De man voert verweer tegen het verzoek en verzoekt de vordering van de vrouw af te wijzen.
4. De beoordeling
4.1.
De rechtbank overweegt dat de onderhoudsplicht van de man in de onderhavige zaak voortvloeit uit artikel 1:81 BW Pro in samenhang met artikel 1:84 BW Pro. Partijen zijn gehuwd, kennelijk in gemeenschap en dat is het gezinsinkomen gemeenschappelijk. Ingevolge artikel 1:81 BW Pro dienen echtgenoten elkaar ‘het nodige’ te verschaffen, hetgeen in artikel 1:84 BW Pro is uitgewerkt als ‘de kosten der huishouding’. De kosten van minderjarige kinderen zijn eveneens kosten van de huishouding.De echtgenoten dienen deze kosten te dragen, kort gezegd, naar rato van het eigen inkomen.
4.2.
De vrouw heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de man sinds hij de echtelijke woning heeft verlaten niet bijdraagt aan de kosten van de huishouding. Hij is daartoe vanwege zijn verplichtingen uit het huwelijk wel gehouden. De man verdient minstens € 2.500,- per maand bij twee werkgevers. De vrouw stelt dat hij in staat en gehouden is de verzochte bijdrage aan haar te leveren. De man werkt en de vrouw niet.
Bij de mondelinge behandeling is door de vrouw verklaard dat zij maandelijks € 600,- aan bijstandsuitkering ontvangt en kostgeld van haar drie inwonende meerderjarige kinderen, waarvan er één per maand € 400,- tot € 600,- betaalt en een ander € 50,- tot €100,- per maand. De jongste dochter doet af en toe boodschappen. Haar huur bedraag € 770,- per maand. De vrouw ontvangt geen huurtoeslag of andere toeslagen. Zij heeft geen stukken ter onderbouwing haar stellingen overgelegd. Overigens is niet gebleken waarom de vrouw geen inkomen kan verwerven.
4.3.
De man heeft gesteld dat zijn inkomen uit arbeid niet zo hoog is dat hij de verzochte bijdrage kan voldoen. De man heeft een loonspecificatie van juni 2022 overgelegd, waaruit blijkt dat hij netto € 677,53 betaald heeft gekregen. Het verzoek is veel te summier en onredelijk. Sinds 1 februari 2023 werkt hij nog maar voor één werkgever en daarvoor voor twee. Hij ontvangt geen toeslagen en betaalt aan huur € 550,- per maand. Aan de jongste nog minderjarige zoon maakt hij maandelijks € 250,- tot € 300,- over als bijdrage in de kosten.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft niet gesteld wat de totale kosten van huishouding zijn en dus heeft zij ook niet inzichtelijk gemaakt wat de kosten van de huishouding zijn. Alleen al hierom dient het verzoek van de vrouw te worden afgewezen.
Daarnaast heeft vrouw evenmin gesteld of inzichtelijk gemaakt wat haar inkomsten zijn. Tijdens de mondelinge behandeling, op vragen van de rechtbank, bleek dat zij inkomsten heeft, zo betalen haar meerderjarige kinderen haar kostgeld en heeft de vrouw een uitkering. Hierdoor is het onmogelijk om vast te stellen in welke verhouding de eventuele kosten van huishouding zouden moeten worden verdeeld over de man en de vrouw. Enkel het inkomen van de man is daarvoor onvoldoende.
4.5.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
4.6.
Omdat het een familierechtelijke beslissing is, worden de kosten tussen partijen gecompenseerd.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 10 mei 2023. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).