AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks afzien van weigeringsgrond
De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Wrocław, Polen, voor de overlevering van een verdachte die een resterende gevangenisstraf van bijna zes maanden moet ondergaan. De verdachte was niet persoonlijk aanwezig bij het vonnis dat tot de straf leidde, waardoor een weigeringsgrond op grond van artikel 12 OverleveringswetPro (OLW) aan de orde was.
De verdediging stelde dat de overlevering geweigerd moest worden omdat de verdachte niet op de hoogte was van de procedure en daardoor zijn verdedigingsrechten niet kon uitoefenen. Het openbaar ministerie betoogde dat de verdachte afstand had gedaan van zijn rechten, omdat hij in voorarrest zat, een Pools adres had opgegeven en een adresinstructie had ontvangen om oproepen te ontvangen.
De rechtbank concludeerde dat hoewel formeel een weigeringsgrond aanwezig was, de omstandigheden - waaronder het verstrekken van een adresinstructie en het feit dat oproepen naar het opgegeven adres waren gestuurd - rechtvaardigen dat wordt afgezien van de weigeringsgrond. De overlevering werd daarom toegestaan.
De rechtbank stelde tevens vast dat aan de vereisten van dubbele strafbaarheid was voldaan, het EAB voldeed aan de formele eisen en dat geen andere beletselen voor overlevering aanwezig waren. De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte naar Polen toe ondanks formele weigeringsgrond.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/045334-23
Datum uitspraak: 18 april 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 16 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2021 door the District Court in Wrocław(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 april 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C. Pedrotti, advocaat te Hoorn, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgement of the Regional Court for Wrocław-Śródmieście of
7 november 2019, reference: II K 673/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 5 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure die tot het vonnis heeft geleid en hij daarom niet zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Het vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Verder is er geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. Aangezien de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure die tot het vonnis heeft geleid, heeft hij geen afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLWPro. Uit de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon in voorarrest heeft gezeten voor het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht. Ook heeft hij een adresinstructie gekregen en is hij gewezen op de consequenties wanneer hij zich niet aan deze adresinstructie zou houden. Het komt daarmee voor zijn rekening dat hij niet bereikbaar was voor oproepingen. De opgeëiste persoon heeft aldus afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLWPro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 10 maart 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon op 31 mei 2019 tijdens zijn verhoor een Pools adres heeft opgegeven. Verder heeft de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor een zogenaamde ‘adresinstructie’ gekregen, waarbij hij onder meer is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en dat, wanneer hij dit nalaat, correspondentie die is verstuurd naar het laatst opgegeven adres wordt geacht juist betekend te zijn, zodat hij bij verstek kan worden veroordeeld. De oproeping voor de zitting is vervolgens verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in Polen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de opgeëiste persoon wist waarvan hij werd verdacht en dat hij ervan op de hoogte was dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Aangezien hij tijdens zijn verhoor bij de politie een adresinstructie heeft ontvangen en hij een Pools adres heeft opgegeven, moest de opgeëiste persoon er rekening mee houden dat de oproepen zouden worden gestuurd naar het door hem opgegeven adres. Gelet op deze omstandigheden, die op zijn minst een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid aan de kant van de opgeëiste persoon aantonen, ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.
4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
5.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
7.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the District Court in Wrocław(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. M.E.M. James-Pater en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 april 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.