Overwegingen
1. Eisers wonen op het adres [adres 2] en zijn de buren van vergunninghouder [derde-partij] .
2. Het vergunde bouwplan bestaat uit het realiseren van een dakuitbouw op de derde verdieping en een dakterras met daktoegangsopbouw op het dak van de derde verdieping.
3. De beroepsgronden van eisers richten zich tegen het dakterras. Eisers vrezen voor aantasting van de privacy. Vanaf het dakterras van vergunninghouder is zicht op hun terras en kan worden ingekeken in hun woonkamer (beiden gelegen op de derde verdieping).
4. Van toepassing zijn het bestemmingsplan Laan van Spartaan en het Paraplubestemmingsplan Stadsdeel West. Het project is daarmee in strijd omdat de maximale bouwhoogte van 12 meter door de dakuitbouw (op de derde verdieping) met 39 centimeter wordt overschreden. Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft het college gebruik gemaakt van de bevoegdheid om op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) af te wijken van de bepalingen van het bestemmingsplan over de bouwhoogte.
5. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. Er kan alleen door het college met toepassing van deze bepaling worden afgeweken van het bestemmingsplan indien er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.
6. Eisers hebben aangevoerd dat er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering, omdat het dakterras zich uitstrekt tot de erfgrens en vanaf het vergunde dakterras rechtstreeks zicht bestaat op hun terras en zijdelings in hun woning. Daarmee is het bouwplan in strijd met artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Eisers hebben ter ondersteuning van hun betoog verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 april 2020.
7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het dakterras op zichzelf bezien binnen de planregels valt. Het dakterras is echter door vergunninghouder samen aangevraagd met de dakuitbouw - waarvoor een afwijking van het bestemmingsplan nodig was - en is daarmee ook functioneel en bouwkundig verbonden. Gelet daarop is de rechtbank met eisers en anders dan het college van oordeel dat hun privacybelangen door het college dienen te worden meegewogen binnen de belangenafweging die plaats dient te vinden in het kader van de afwijking van het bestemmingsplan. Gelet daarop overweegt de rechtbank reeds als volgt.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. De bestuursrechter dient derhalve te toetsen of op grond van artikel 5:50 van het BW een evidente privaatrechtelijke belemmering moet worden aangenomen.
9. Artikel 5:50 van het BW luidt als volgt:
1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.
3. De in dit artikel bedoelde afstand wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven of de muur.
10. Niet in geschil is dat het dakterras is aan te merken als een soortgelijk werk in de zin van het eerste lid van artikel 5:50 BW en dat eisers daarvoor geen toestemming hebben gegeven.
11. Op basis van de bouwtekeningen en de toelichting van partijen ter zitting stelt de rechtbank ook vast dat het vergunde dakterras binnen de twee meter grens als bedoeld in het eerste lid van artikel 5:50 BW ligt en er staande bij het (open) hek geplaatst aan de korte zijde van het vergunde dakterras (naar beneden kijkend) rechtstreeks zicht is op het (naburige) erf van eisers, te weten op hun terras en zijdelings (naar links kijkend) in hun woning.
12. De rechtbank overweegt verder dat de omstandigheid dat het terras van eisers een verdieping lager ligt dan het vergunde dakterras, waardoor van bovenaf rechtstreeks zicht bestaat op het terras en zijdelings in de woning, er toe kan leiden dat van korte afstand ongemerkt kan worden waargenomen wat eisers op hun terras en in hun woning aan het doen zijn.
13. De rechtbank stelt vast dat uit zowel civielrechtelijke als bestuursrechtelijke rechtspraak, niet eenduidig is op te maken of dergelijke zichtlijnen moeten worden opgevat als ‘rechtstreeks zicht’ of als ‘zijdelings/schuin zicht’. Onduidelijk is of alleen rechtdoor kijken (ooghoogte) onder ‘rechtstreeks zicht’ valt en naar beneden kijken altijd leidt tot ‘zijdelings/schuin zicht’. Ook overigens blijkt uit de rechtspraak niet eenduidig in welke situaties sprake is van zijdelings/schuin zicht (en daarmee geen schending van artikel 5:50 BW). De rechtbank zoekt zoveel mogelijk aansluiting bij uitspraken van het hoogste bestuursrechtcollege, de Afdeling. Eisers hebben gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020. In die uitspraak stelt de Afdeling vast dat vanaf de korte zijde van het (in die zaak) gewenste balkon rechtstreeks zicht is op het naburige erf. Omdat de korte zijde van het balkon rechtstreeks uitkijkt op dat erf, volgt de Afdeling niet de stelling van het college dat er om een hoekje moet worden gekeken en een kwartslag moet worden gedraaid om zicht te hebben op het erf. De rechtbank is van oordeel dat zich hier een vergelijkbare situatie voordoet en sluit daarom bij deze uitspraak aan. Concreet betekent dit dat de rechtbank van oordeel is dat vanaf het dakterras rechtstreeks zicht is op het terras van eisers en dat daarom, in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ook in dit geval sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Gelet op die conclusie kan in dit geval de vraag of het zicht vanaf het dakterras in de woning van eisers ook een evidente privaatrechtelijke belemmering oplevert in het midden blijven.
14. Aangezien in het bouwplan geen voorzieningen zijn opgenomen om dit zicht weg te nemen levert het bouwplan strijd op met artikel 5:50 van het BW. Dit betekent dat sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening voor het bouwplan in de weg staat. Onder verwijzing naar de door eisers aangehaalde uitspraak van de Afdelingconcludeert de rechtbank dat het betoog slaagt.
15. Gelet daarop komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van het betoog van eisers dat artikel 6, vierde lid, onder h, van de planregels buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met hogere regelgeving, namelijk artikel 5:50 van het BW.