ECLI:NL:RBAMS:2023:1627
Rechtbank Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Beklag ongegrond tegen voortzetting beslag wegens valsheid in geschrift en witwassen
De klager diende een beklag in tegen het voortduren van het beslag op een geldbedrag van €441.160,10, dat op 7 juli 2020 door ABN AMRO was ingenomen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek. De klager stelde dat het belang van strafvordering zich niet langer tegen teruggave verzet en dat voortzetting van het beslag niet proportioneel is.
Het Openbaar Ministerie verzet zich hiertegen omdat het onderzoek nog loopt en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het geldbedrag verbeurd zal worden verklaard. Uit het dossier blijkt dat vervalste documenten zijn gebruikt die naar de klager leiden en dat het geldbedrag mogelijk afkomstig is van misdrijf. De rechtbank oordeelt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vereist.
De rechtbank benadrukt dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat niet in de mogelijke uitkomst van de hoofdzaak kan worden getreden. Gezien het lopende internationale witwasonderzoek en de verklaring van de klager op 28 november 2022 acht de rechtbank het beslag niet disproportioneel en verklaart het beklag ongegrond.
De beslissing is op 21 maart 2023 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Amsterdam. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het beklag tegen het voortduren van het beslag op €441.160,10 wordt ongegrond verklaard.