De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit 2015. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens diefstal met braak. De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon sinds 2008 onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft en gelijkgesteld kan worden met een Nederlander.
De verdediging voerde aan dat de vervolging in Polen was verjaard, terwijl de officier van justitie stelde dat het EAB stuitende werking had. De rechtbank oordeelde dat de verjaring van de tenuitvoerlegging volgens Nederlands recht was verstreken, waardoor overlevering geweigerd moest worden. Tevens nam de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon mee, zoals zijn langdurige verblijf en arbeidsongeschiktheid.
Gelet op deze feiten en omstandigheden werd de overlevering geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Overleveringswet. De rechtbank zag geen reden om van deze weigeringsgrond af te zien en hoefde daardoor niet te oordelen over andere mogelijke gronden.