De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 december 2022 het verzoek tot overlevering van een persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon werd verdacht van (poging tot) diefstal met braak en opzetheling, waarvoor een vrijheidsstraf van 2 jaar is opgelegd, waarvan nog circa 12 maanden resteren.
De rechtbank stelde vast dat de termijn van 90 dagen voor besluitvorming was verstreken, waardoor geen grondslag meer bestond voor gevangenhouding op basis van het overleveringsverzoek. De identiteit van de opgeëiste persoon en de inhoud van het EAB werden bevestigd. De feiten vereisten dubbele strafbaarheid, welke volgens de Nederlandse wetgeving was gegeven.
De rechtbank onderzocht vervolgens de weigeringsgrond van artikel 6a OLW, die toepassing vindt indien de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Dit werd bevestigd op basis van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf en de verwachting dat het verblijfsrecht niet zal worden verloren. De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kon plaatsvinden en weigerde daarom de overlevering.
Tegelijkertijd werd de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen en de gevangenhouding tot aan de uitvoering daarvan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.