Uitspraak
[opgeëiste persoon] ,
Binnen die situatie is niet langer de IRK bevoegd te oordelen op een verzoek tot schorsing van de detentie maar de minister als uitvoerder van de executie van de Belgische straf in Nederland”.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam heeft op 16 september 2022 een verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon behandeld. De verzoeker betoogde dat de rechtbank nog steeds bevoegd was om te beslissen over het schorsingsverzoek, ondanks eerdere beslissingen waarin dit werd ontkend. De rechtbank stelde vast dat de tenuitvoerlegging van de Belgische straf reeds was begonnen, waardoor de bevoegdheid om over het verzoek te beslissen niet langer bij de rechtbank lag, maar bij de minister van Justitie.
De rechtbank overwoog dat het verzoek feitelijk neerkwam op een verkapt appèl tegen de eerdere beslissing van 19 augustus 2022, waarin het verzoek tot schorsing niet-ontvankelijk werd verklaard. Omdat de verzoeker geen hoger beroep had ingesteld tegen die beslissing, kon de rechtbank het verzoek niet opnieuw behandelen.
De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon zich niet langer in overleveringsdetentie bevond, maar in een ander detentieregime vanwege de formele overname van de Belgische straf. Hierdoor was de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het schorsingsverzoek en verklaarde zij zich onbevoegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie omdat de tenuitvoerlegging van de Belgische straf reeds is aangevangen.