ECLI:NL:RBAMS:2022:8208
Rechtbank Amsterdam
- Eerste en enige aanleg
- J.G. Vegter
- J.A.A.G. de Vries
- E.G.M.M. van Gessel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in vordering tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel na intrekking
De zaak betreft een vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een onderzoeksrechter in Antwerpen. De opgeëiste persoon, met Nederlandse nationaliteit, werd niet in persoon gehoord vanwege ziekte en afwezigheid van zijn raadsman.
Tijdens de procedure bleek uit een e-mail van de Belgische autoriteiten dat het EAB was ingetrokken. De officier van justitie en de verdediging stelden daarom dat de vordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De rechtbank volgde dit standpunt en constateerde tevens dat de beslistermijn van 90 dagen was verstreken, waardoor geen grondslag meer bestond voor gevangenhouding.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was vastgesteld en dat het EAB betrekking had op een aanhoudingsbevel bij verstek. De rechtbank verklaarde vervolgens de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling nemen van het EAB. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot in behandeling nemen van het Europees aanhoudingsbevel wegens intrekking van het bevel.