ECLI:NL:RBAMS:2022:795

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 februari 2022
Publicatiedatum
24 februari 2022
Zaaknummer
13/845065-16 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Schikking
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511c SvArt. 6:4:18 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schikking en beëindiging van ontnemingszaak tegen bedrijf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 februari 2022 de ontnemingsvordering tegen een bedrijf, voortvloeiend uit een onderliggende strafzaak. De officier van justitie vorderde het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en betaling daarvan tot een maximumbedrag van ruim 40 miljoen euro.

Tijdens de zitting werd een schikking tussen het openbaar ministerie en het bedrijf vastgesteld, conform artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering. De schikking houdt onder meer in dat het bedrijf tot en met 2028 jaarlijks een geldbedrag moet betalen. De rechtbank constateerde dat nu al aan de voorwaarden van de schikking is voldaan doordat bankgaranties zijn verstrekt.

Hierdoor verklaarde de rechtbank de zaak van rechtswege beëindigd, zoals voorgeschreven in artikel 6:4:18 Sv Pro. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, onder voorzitterschap van G.H. Marcus en met de rechters B. Vogel en C.P. Bleeker.

Uitkomst: De rechtbank stelde vast dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd wegens een schikking met het openbaar ministerie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/845065-16 (ontneming)
Datum uitspraak: 9 februari 2022
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/845065-16, tegen:
[veroordeelde (naam bedrijf BV)],
gevestigd op het adres [adres],
hierna: veroordeelde.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 9 februari 2022.
De rechtbank heeft op 9 februari 2022 de officier van justitie en de gemachtigd raadsman van veroordeelde, mr. J.S. Spijkerman, advocaat te ’s-Gravenhage, gehoord.

2.De vordering

De vordering van de officier van justitie van 8 januari 2021 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 40.996.520, -.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3.Schikking tussen openbaar ministerie en veroordeelde; zaak geëindigd

De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie met veroordeelde een schikking heeft getroffen, zoals bedoeld in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv). [1] Gelet op die schikking stelt de rechtbank, in overeenstemming met de standpunten van de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde, gelet op het bepaalde in artikel 6:4:18 Sv Pro vast dat de zaak van rechtswege is geëindigd. Volgens dit artikel is door voldoening van de termen van de schikking de zaak van rechtswege geëindigd. Hoewel de schikking onder meer inhoudt dat veroordeelde tot in 2028 is gehouden jaarlijks een geldbedrag te betalen, gaat de rechtbank er vanuit dat nu al aan de termen van de schikking is voldaan. Er zijn namelijk bankgaranties voor alle betalingen verstrekt. Hiermee is materieel gezien voldaan aan de termen van de schikking.

4.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de zaak van rechtswege is geëindigd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.H. Marcus, voorzitter,
mrs. B. Vogel en C.P. Bleeker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2022.

Voetnoten

1.Een afschrift van de schikking is aan dit vonnis gehecht.