De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 februari 2022 de zaak tegen een 23-jarige verdachte die werd beschuldigd van voorbereidingshandelingen voor een moord op een persoon in februari-maart 2021 en het illegaal plaatsen van een GPS-tracker op 4 maart 2021. De officier van justitie stelde dat verdachte samen met een medeverdachte voorbereidingen had getroffen, waaronder het plaatsen van een peilbaken onder een auto die in gebruik was bij het beoogde slachtoffer.
De verdediging voerde aan dat verdachte alleen het peilbaken had en dat er geen bewijs was dat hij wist dat het baken zou worden gebruikt voor een moord. Ook werd betoogd dat het plaatsen van het baken niet automatisch strafbare voorbereiding is en dat het gebruik van het GPS-apparaat niet viel onder het aftappen zoals bedoeld in artikel 139d Sr.
De rechtbank oordeelde dat niet bewezen kon worden dat verdachte opzet had op het plegen van moord, omdat onvoldoende aanwijzingen bestonden dat hij wist van het plan of bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het baken bij een moord zou worden gebruikt. Ook werd geoordeeld dat het plaatsen van het peilbaken geen aftappen of opnemen van gegevens inhield zoals bedoeld in de wet. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.
Daarnaast wees de rechtbank de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af, omdat verdachte werd vrijgesproken van het strafbare feit waarop de vordering was gebaseerd.